This time it's Hudson
Hudson Motor Car Company
Deel I – De mensen vóór het merk (1880–1909)
Een industrie in wording
Aan het begin van de twintigste eeuw was de Amerikaanse auto-industrie geen overzichtelijk landschap van enkele grote concerns, maar een onstuimige verzameling van honderden kleine ondernemingen, vaak opgericht door jonge mannen met technische kennis, commerciële durf en weinig kapitaal. In Detroit, Lansing en Cleveland ontstond een netwerk van ingenieurs, verkopers en financiers die voortdurend van bedrijf wisselden, ideeën meenamen en samenwerkingsverbanden aangingen. Hudson Motor Car Company kwam niet voort uit één visionair genie, maar uit een netwerk van mensen die elkaar al jaren kenden voordat de naam Hudson überhaupt bestond.
Het is onmogelijk Hudson te begrijpen zonder eerst stil te staan bij Roy D. Chapin, Howard E. Coffin en Roscoe B. Jackson — en bij wat zij leerden voordat ze ooit een eigen fabriek hadden.
​
Roy D. Chapin: verkoopman met industrieel instinct
Roy Dikeman Chapin werd geboren op 23 februari 1880 in Lansing, Michigan — toevallig ook de geboorteplaats van Ransom E. Olds. Chapin groeide op in een tijd waarin de verbrandingsmotor nog nauwelijks betrouwbaar was en de automobiel eerder als curiositeit dan als massavervoermiddel werd gezien. Toch raakte hij al vroeg overtuigd van het commerciële potentieel van de auto.
Chapin was géén ingenieur, maar bezat iets wat minstens zo belangrijk was: industrieel instinct. Hij begreep hoe markten werkten, hoe je een product positioneert en — cruciaal — hoe je vertrouwen wekt bij een publiek dat nog huiverig stond tegenover gemotoriseerd vervoer.
Tijdens zijn studie aan de University of Michigan ontmoette Chapin meerdere studenten die later sleutelrollen zouden spelen in de auto-industrie. Eén daarvan was Howard E. Coffin, een technisch begaafde ingenieur met een analytische geest en een sterke interesse in motorontwerp. Hun samenwerking zou bepalend blijken.
​
Olds Motor Works: de leerschool
In 1901 trad Chapin in dienst bij Olds Motor Works, destijds één van de meest succesvolle autofabrikanten van Amerika. Ransom E. Olds had met de Curved Dash Oldsmobile feitelijk het eerste massaproductiemodel ter wereld gecreëerd. Olds Motor Works was daarmee een ideale leerschool: productie, marketing, distributie en schaalvergroting kwamen hier samen.
Chapin viel op. In 1904, pas 24 jaar oud, werd hij benoemd tot sales manager — de jongste in de industrie. Hij leerde hoe kwetsbaar jonge automerken waren en hoe snel succes kon omslaan in conflict. Olds Motor Works werd geplaagd door spanningen tussen oprichter Ransom E. Olds en investeerders die meer controle wilden. Die spanningen zouden uiteindelijk leiden tot Olds’ vertrek uit zijn eigen bedrijf.
Ook Howard Coffin, Roscoe B. Jackson en Fred Bezner werkten in deze periode bij Olds. Het was hier dat de kern van het latere Hudson-team werd gevormd. Ze leerden niet alleen hoe je auto’s bouwt, maar ook hoe een bedrijf ontspoort wanneer visie en financiering uit elkaar lopen — een les die ironisch genoeg later bij Hudson opnieuw relevant zou worden.
​
Howard E. Coffin: techniek als fundament
Howard Coffin was geen flamboyante figuur, maar technisch gezien de ruggengraat van wat later Hudson zou worden. Hij had al geëxperimenteerd met stoomauto’s en had een scherp oog voor balans, duurzaamheid en productie-eenvoud. Coffin geloofde niet in extreem complexe oplossingen; zijn ontwerpen waren robuust en bedoeld voor langdurig gebruik.
Tijdens zijn tijd bij Olds werkte Coffin aan motorconcepten die later kenmerkend zouden worden voor Hudson:
-
focus op koppel in plaats van piekvermogen
-
lange slag, lage toerentallen
-
betrouwbaarheid boven technische bravoure
Deze filosofie zou decennia later de basis vormen voor de Hudson-zescilinders en hun dominantie in stockcar racing.
​
Thomas-Detroit: succes zonder controle (1906–1907)
Na het vertrek van Ransom E. Olds ontstond een machtsvacuüm. Chapin en zijn collega’s beseften dat zij óf opnieuw onder iemand anders moesten werken, óf zelf ondernemer moesten worden. Coffin had inmiddels een compleet automodel ontworpen dat door Olds was afgewezen. Chapin zag hierin een kans.
Omdat banken geen vertrouwen hadden in jonge autofabrikanten, zocht Chapin naar een bestaande speler. Die vond hij in E.R. Thomas, bouwer van de prestigieuze Thomas Flyer. In 1906 werd Thomas-Detroit opgericht: een samenwerking waarbij Chapin en Coffin verantwoordelijk waren voor ontwerp en verkoop, terwijl Thomas het kapitaal leverde.
Thomas-Detroit was een direct succes. Het bedrijf keerde in het eerste jaar een dividend uit van naar verluidt 80% — een ongekend rendement. Maar er zat een fundamenteel probleem in het model: Chapin en zijn partners hadden geen zeggenschap. Thomas-Detroit was in essentie een assemblagebedrijf voor een merk dat in Buffalo werd aangestuurd.
Het succes bevestigde hun kunnen, maar ook hun afhankelijkheid.
​
Chalmers-Detroit: déjà vu
In 1907–1908 werd Thomas-Detroit omgevormd tot Chalmers-Detroit, nadat Hugh Chalmers instapte. Opnieuw volgde succes, opnieuw bleven Chapin en Coffin minderheidsaandeelhouders. De situatie was pijnlijk bekend: zij bouwden waarde op voor een bedrijf dat uiteindelijk niet van hen was.
Tegen het einde van 1908 werd een radicale beslissing genomen. Chapin, Coffin en Bezner besloten hun aandelen in Chalmers te verkopen en alles in te zetten op een volledig eigen onderneming. Dit was een gok: zij verlieten een winstgevend bedrijf zonder zekerheid dat financiering voor iets nieuws zou lukken.
​
Joseph L. Hudson: geld zonder passie
De sleutel lag bij Joseph L. Hudson, een van de machtigste retailers van Detroit en eigenaar van het beroemde Hudson’s Department Store. Hudson had zijn fortuin gemaakt in de detailhandel en stond bekend als uiterst voorzichtig. De auto-industrie beschouwde hij als speculatief en risicovol.
Toch werd hij overtuigd — niet door Chapin zelf, maar via familiebanden. Zijn nicht Louise Webber en haar echtgenoot Roscoe B. Jackson pleitten voor de jonge ondernemers. Hudson stemde toe om het kapitaal te leveren, maar stelde duidelijke voorwaarden:
-
hij bemoeide zich niet actief met het bedrijf
-
hij verwachtte conservatief financieel beleid
-
het bedrijf zou zijn naam dragen
Hier werd een fundament gelegd dat later zowel kracht als zwakte zou blijken.
​
1909: Hudson Motor Car Company ontstaat
Op 20 februari 1909 werd The Hudson Motor Car Company officieel opgericht. De eerste fabriek werd betrokken aan Mack Avenue en Beaufait Street, in een gebouw dat eerder was neergezet voor Alexander Malcomsons failliete Aerocar Company.
Opmerkelijk is dat Hudson vanaf dag één geen experimenteel hobbybedrijf was. De organisatie was strak opgezet, met duidelijke verantwoordelijkheden:
-
Chapin: verkoop, marketing en strategie
-
Coffin: techniek en productie
-
Bezner: leveranciers en logistiek
De eerste auto, de Hudson Model 20, werd niet gepresenteerd als luxeobject, maar als een doordacht, modern vervoermiddel. Advertenties spraken van “Strong – Speedy – Roomy – Stylish” — woorden die Hudson decennialang zouden blijven typeren.
Binnen enkele weken stroomden duizenden aanbetalingen van $25 binnen.
Hudson was geboren.
​
Slot Deel I
Aan het einde van 1909 stond Hudson op een kruispunt. Het bedrijf had:
-
ervaren mensen
-
bewezen ontwerpen
-
een sterke financier
-
maar ook een conservatieve financiële cultuur
Wat volgde was explosieve groei — maar ook de eerste kiemen van latere beperkingen.
Deel II – De Hudson Twenty, Albert Kahn en de opbouw van een industriële macht (1909–1915)
Van idee naar product: Hudson als serieus industrieel project
Waar veel nieuwe autofabrikanten in 1909 begonnen als kleinschalige werkplaatsen met wisselende kwaliteit en improvisatie, positioneerde Hudson zich vanaf het begin als een serieus industrieel bedrijf. Dat was geen toeval. Roy Chapin had bij Olds Motor Works gezien wat schaal betekende, en even belangrijk: wat er misging als productie, verkoop en techniek niet op elkaar waren afgestemd. Hudson moest vanaf dag één méér zijn dan een “enthousiast merk”.
De eerste grote test was de Hudson Model 20, later vaak simpelweg de Hudson Twenty genoemd. Deze auto moest niet alleen verkoopbaar zijn, maar ook aantonen dat Hudson beschikte over technische volwassenheid en productiediscipline.
De Hudson Model 20: doordachte eenvoud
De Hudson Twenty was geen radicale auto, maar juist daardoor succesvol. Het ontwerp was bewust conservatief, maar technisch degelijk. Coffin had gekozen voor een viercilinder met een relatief lange slag, wat zorgde voor soepel koppel bij lage toerentallen — belangrijk in een tijd van slechte wegen en onbetrouwbare brandstofkwaliteit.
Belangrijker dan het motorvermogen waren echter de constructieve keuzes:
-
een volledig omsloten aandrijflijn
-
een selectieve transmissie in plaats van een planetair systeem
-
gietlagers in plaats van traditioneel brons
-
aandacht voor trillingsreductie
Dit waren geen spectaculaire verkoopargumenten, maar ze resulteerden in betrouwbaarheid, en betrouwbaarheid was in 1909 een doorslaggevend voordeel.
Hudson positioneerde de Twenty niet als goedkoop, maar als “value for money”. De prijs van $900 plaatste de auto boven de Ford Model T, maar onder luxemerken. Dit middenpositie-denken zou een blijvend kenmerk van Hudson worden.
Marketing en vertrouwen: Chapins verborgen kracht
Roy Chapins grootste talent lag niet in techniek, maar in vertrouwen creëren. Hij begreep dat potentiële klanten niet alleen een auto kochten, maar ook een belofte: onderdelenbeschikbaarheid, service en continuïteit. Hudsons advertenties waren opvallend professioneel en verschenen in nationale publicaties zoals The Saturday Evening Post — ongebruikelijk voor een startende fabrikant.
Chapin hamerde op:
-
duurzaamheid
-
fabriekscontrole
-
degelijkheid boven experiment
Het resultaat was dat Hudson al vroeg werd gezien als een “echte fabrikant” en niet als een tijdelijke speler.
Binnen enkele maanden na introductie overtrof de vraag de productiecapaciteit van de Mack Avenue-fabriek.
De noodzaak van schaal: waarom Albert Kahn werd ingeschakeld
Het succes van de Hudson Twenty maakte één ding pijnlijk duidelijk: de bestaande faciliteiten waren onvoldoende. In plaats van uit te breiden met lapmiddelen, nam Hudson een besluit dat opnieuw het verschil maakte tussen amateurs en professionals: men schakelde Albert Kahn in.
Kahn was in 1910 al bezig om Detroit te transformeren tot industriële hoofdstad. Zijn benadering was revolutionair:
-
daglicht in productieruimtes
-
open vloeren zonder dragende muren
-
logische productiestromen
-
toekomstgerichte uitbreidingsmogelijkheden
Hudson gaf Kahn de opdracht een fabriek te ontwerpen aan de hoek van East Jefferson Avenue en Conner Street — niet als tijdelijke oplossing, maar als kern van de onderneming.
De Jefferson Avenue fabriek: een statement
De nieuwe fabriek, geopend in 1910, was meer dan een productiehal. Het was een statement: Hudson was gekomen om te blijven. Het gebouw was ontworpen voor groei; binnen enkele jaren werd het complex verdubbeld in omvang.
Belangrijke kenmerken:
-
staalconstructie met grote overspanningen
-
maximale lichtinval
-
efficiënte logistieke routing
-
ruimte voor interne assemblage in plaats van externe toelevering
Binnen korte tijd produceerde Hudson hier 100 auto’s per dag — een indrukwekkend aantal voor een merk dat nog geen vijf jaar bestond.
Dit was ook het moment waarop Hudson de overgang maakte van “succesvolle start-up” naar volwaardige autofabrikant.
Organisatie en cultuur: de vroege Hudson-mentaliteit
De groei vereiste structuur. Hudson ontwikkelde een interne cultuur die sterk verschilde van veel tijdgenoten. Beslissingen werden genomen door een kleine kern:
-
Chapin (commercieel)
-
Coffin (technisch)
-
Bezner (operationeel)
Joseph L. Hudson bleef op afstand. Zijn invloed zat niet in dagelijkse beslissingen, maar in het financiële kader: voorzichtig investeren, geen grote schulden, geen overhaaste sprongen. In deze vroege jaren werkte dat in Hudsons voordeel. Het bedrijf groeide gecontroleerd, zonder de speculatieve excessen die veel concurrenten fataal werden.
Maar tegelijk ontstond hier een patroon: techniek mocht excelleren, zolang het financieel voorspelbaar bleef. Die spanning zou later cruciaal worden.
Technische verfijning en de weg naar meer cilinders
Hoewel de Hudson Twenty succesvol was, zag Coffin al vroeg de beperkingen van viercilinders. Concurrenten experimenteerden met grotere motoren en klanten verwachtten meer comfort en vermogen. Hudson begon intern te werken aan zescilinderconcepten, aanvankelijk als uitbreiding, niet als vervanging.
Belangrijk is dat Hudson deze ontwikkeling methodisch aanpakte:
-
eerst balans en duurzaamheid
-
daarna vermogen
-
pas als laatste marketing
Dit verklaart waarom Hudson later zo sterk werd met zescilinders, maar ook waarom het merk zelden als “innovatief” werd gezien — de innovaties zaten onder de oppervlakte.
Groei vóór de oorlog: reputatie als degelijke middenklasser
Tussen 1911 en 1915 bouwde Hudson gestaag aan zijn reputatie. De auto’s werden groter, comfortabeler en beter afgewerkt. Productieaantallen stegen elk jaar. Hudson klom snel op de ranglijsten van Amerikaanse autofabrikanten.
Belangrijker nog: Hudson kreeg het vertrouwen van institutionele klanten. Zelfs het Witte Huis schafte later Hudsons aan — een symbolisch bewijs van betrouwbaarheid en status.
Hudson was geen trendsetter, maar een stille groeier.
Slot Deel II
Aan de vooravond van 1913–1916 stond Hudson opnieuw op een kruispunt. De fabriek draaide op volle capaciteit, de organisatie was volwassen, en de markt vroeg om meer vermogen en prestige.
Howard Coffin had zijn antwoord al klaar: de zescilinder.
Wat volgde zou Hudsons naam definitief vestigen — niet alleen op straat, maar ook op het circuit.
​
Deel III – De Super Six, technologische identiteit en autosport als bewijs (1913–1919)
Het beslissende moment: waarom Hudson inzette op zes cilinders
​
Rond 1912–1913 begon zich in de Amerikaanse auto-industrie een duidelijke tweedeling af te tekenen. Aan de onderkant domineerden eenvoudige, goedkope viercilinders zoals de Ford Model T. Aan de bovenkant bevonden zich luxemerken met grotere motoren, vaak zescilinders, die rust, kracht en souplesse boden. Veel fabrikanten aarzelden: zescilinders waren duurder, complexer en risicovoller.
Hudson aarzelde niet.
Howard Coffin was ervan overtuigd dat de toekomst niet lag in brute eenvoud, maar in mechanische verfijning. Een zescilinder bood intrinsiek betere balans, minder trillingen en meer flexibiliteit in gearing. Waar andere merken zescilinders vooral zagen als luxe-excessen, zag Hudson ze als de logische evolutie van de middenklasseauto.
In 1913 presenteerde Hudson zijn antwoord: de Super Six.
De Super Six: geen marketingnaam, maar een technisch statement
De naam “Super Six” was ongebruikelijk direct. Hudson claimde geen innovatie om de innovatie; het woord “Super” verwees expliciet naar prestaties ten opzichte van bestaande vier- en zescilinders. Het ging om meetbare superioriteit.
Technisch gezien was de Super Six een conventionele zescilinder met zijkleppen, maar uitzonderlijk goed uitgewerkt:
-
lange slag voor hoog koppel
-
uitzonderlijk soepele loop
-
robuuste krukas en lagering
-
ontworpen voor duurzaamheid bij langdurige belasting
Hudson testte de motor extreem intensief. Coffin stond erop dat de Super Six niet alleen krachtig, maar ook onverwoestbaar moest zijn. Dit paste bij Hudsons filosofie: prestaties moesten voortkomen uit betrouwbaarheid, niet andersom.
Records als bewijs: transcontinentale ritten en Pike’s Peak
Hudson begreep dat technische claims bewijs nodig hadden. In plaats van vage advertenties koos men voor iets ongebruikelijks: publieke prestatietests.
De transcontinentale recordritten (1916)
In 1916 zette Hudson een Super Six in voor een tweerichtingsrit dwars door de Verenigde Staten — van kust tot kust en weer terug. Dat was geen eenvoudige PR-stunt. Wegen waren slecht, brandstofkwaliteit wisselde sterk, en mechanische pech was eerder regel dan uitzondering.
De Hudson volbracht de rit sneller dan enig ander voertuig tot dat moment, zonder grote mechanische problemen. Het was een ongekend signaal aan het publiek: dit was geen fragiele machine, maar een auto die extreme omstandigheden aankon.
Pike’s Peak: klim naar legitimiteit
De beklimming van Pike’s Peak was in die tijd een serieuze technische test. De combinatie van steile hellingen, ijle lucht en slechte ondergrond legde genadeloos de zwaktes van motorontwerpen bloot.
De Super Six zette hier een recordtijd neer en bevestigde wat Hudson al claimde: het vermogen was niet alleen theoretisch, maar praktisch bruikbaar.
Vanaf dit moment werd Hudsons claim van “world’s largest manufacturer of six-cylinder cars” niet langer gezien als marketingpraat, maar als feitelijk onderbouwd.
Zescilinders als kernidentiteit (1913–1916)
Waar veel fabrikanten zescilinders als optie aanboden, maakte Hudson een radicale keuze: de viercilinder verdween volledig uit het gamma in 1916. Dit was een gedurfde beslissing. Viercilinders waren goedkoper te bouwen en populair bij prijsbewuste klanten.
Hudson koos bewust voor positionering boven volume.
Dit besluit had meerdere gevolgen:
-
Hudson werd technisch duidelijk herkenbaar
-
productontwikkeling werd gefocust
-
marketing kreeg een eenduidige boodschap
Maar het betekende ook dat Hudson zich definitief verwijderde van de massamarkt. Dit was geen merk voor “iedereen”, maar voor kopers die waarde hechtten aan prestaties en kwaliteit.
Essex: een strategische tegenzet (1918)
De Eerste Wereldoorlog en de veranderende markt maakten echter duidelijk dat Hudson niet uitsluitend op het midden- en hogere segment kon vertrouwen. Ford en Chevrolet veroverden enorme volumes met goedkope auto’s.
Hudsons antwoord was Essex, geïntroduceerd in 1918.
Belangrijk: Essex was geen afgeslankte Hudson, maar een apart gepositioneerd merk binnen dezelfde organisatie. De auto’s waren eenvoudiger, goedkoper en aanvankelijk voorzien van viercilinders, maar profiteerden wel van Hudsons productiekwaliteit.
Essex werd een onmiddellijk succes. Het merk bood Hudson:
-
extra volume
-
spreiding van risico
-
toegang tot een jonger publiek
Later zouden Essex-modellen ook de Super Six krijgen, waarmee Hudson zijn zescilinderfilosofie zelfs in het lagere segment introduceerde.
Hudson en autosport: niet als spektakel, maar als validatie
In deze vroege periode was autosport nog geen professioneel circus. Het was vooral een technisch slagveld. Fabrikanten gebruikten wedstrijden om mechanische superioriteit te bewijzen.
Hudson deed hier selectief aan mee. Geen grootschalige raceprogramma’s, maar gerichte inzetten:
-
langeafstandstesten
-
heuvelklimmen
-
betrouwbaarheidsritten
Het doel was niet winnen om het winnen, maar bewijzen dat de Super Six onder extreme omstandigheden functioneerde.
Dit vormde de basis voor Hudsons latere succes in stockcar racing — een cultuur die nog moest ontstaan, maar perfect aansloot bij Hudsons sterke punten.
De dood van J.L. Hudson en de continuïteit van het merk
Joseph L. Hudson overleed in 1913, het jaar waarin de Super Six werd geïntroduceerd. Zijn overlijden betekende geen koerswijziging. Hudson had inmiddels een zelfstandige identiteit en een solide managementstructuur.
Zijn nalatenschap zat niet in technische details, maar in het feit dat hij:
-
Hudson financieel mogelijk had gemaakt
-
zich niet inhoudelijk had bemoeid
-
vertrouwen had gesteld in vakmensen
Dat laatste bleek cruciaal: Hudson bleef geleid worden door ingenieurs en industriëlen, niet door financiers.
Hudson aan de vooravond van de jaren twintig
Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog stond Hudson er sterk voor:
-
een duidelijke technische identiteit
-
bewezen prestaties
-
een groeiend marktaandeel
-
een succesvolle tweede merknaam (Essex)
Maar de volgende uitdaging diende zich al aan: schaalvergroting, styling, comfort en — uiteindelijk — de vraag hoe ver Hudson wilde gaan in prestaties.
De zescilinder had Hudson groot gemaakt. De vraag was nu: hoe lang zou die strategie voldoende blijven?
Slot Deel III
De Super Six definieerde Hudson voor decennia. Het was geen motor, maar een filosofie: kracht door balans, prestaties door betrouwbaarheid. Het legde de basis voor alles wat zou volgen — inclusief Hudsons latere dominantie in de Amerikaanse stockcar-races.
​
​
Deel IV – Essex, expansie, marktleiderschap en de piek van de jaren twintig (1919–1929)
De naoorlogse automarkt: schaal, stijl en status
​
Na de Eerste Wereldoorlog veranderde de Amerikaanse automarkt fundamenteel. Auto’s waren niet langer exclusieve machines voor liefhebbers of noodzaak voor professionals; ze werden consumptiegoederen. Klanten verwachtten niet alleen betrouwbaarheid, maar ook comfort, uiterlijk, keuzevrijheid en status.
Voor veel middelgrote fabrikanten betekende dit een existentiële uitdaging. Wie geen schaal had zoals Ford of Chevrolet, moest zich onderscheiden. Hudson deed dit op twee fronten:
-
Essex voor volume
-
Hudson voor prestige en prestaties
Die tweesporenstrategie bleek in de jaren twintig uitzonderlijk succesvol.
Essex als volumemotor van het concern
De introductie van Essex in 1918 was strategisch briljant. Het merk werd expliciet gepositioneerd als:
-
betaalbaar
-
robuust
-
geschikt voor slechte wegen
-
eenvoudiger dan Hudson, maar beter gebouwd dan veel concurrenten
Essex maakte snel naam met spectaculaire marketingstunts, waaronder langeafstandstochten en uithoudingsproeven die breed werden uitgemeten in kranten. Deze campagnes speelden perfect in op het vertrouwen van een nieuw autokopend publiek.
Van vier- naar zescilinder
Aanvankelijk gebruikte Essex viercilinders, maar Hudson kon het niet laten om zijn kernfilosofie ook hier door te voeren. In 1924 kreeg Essex de Super Six, waarmee het merk zich technisch boven veel directe concurrenten plaatste.
Hiermee werd Essex:
-
sneller
-
soepeler
-
aantrekkelijker voor kopers die “meer auto” wilden voor hun geld
Essex groeide explosief en werd een van de best verkochte auto’s van Amerika.
Hudson in de jaren twintig: groter, comfortabeler, verfijnder
Terwijl Essex het volume verzorgde, ontwikkelde Hudson zich richting hogere middenklasse. De auto’s werden:
-
groter
-
luxer
-
beter afgewerkt
-
stiller en comfortabeler
Hudson bleef vasthouden aan zescilinders, maar bood verschillende vermogensniveaus en wielbases. Klanten konden kiezen tussen sedans, touring cars, coupés en speciale uitvoeringen.
Belangrijk was dat Hudson niet meeging in extreem flamboyante styling. Waar merken als Chrysler en Cadillac experimenteerden met design-excessen, bleef Hudson beheerst en functioneel. Dit sprak een publiek aan dat status wilde zonder opzichtigheid.
Productie en schaal: Hudson-Essex als industriële macht
Door het succes van beide merken groeide Hudson uit tot een van de grootste autofabrikanten van de Verenigde Staten. De fabriek aan Jefferson Avenue draaide op volle capaciteit, en de logistiek werd steeds verder geoptimaliseerd.
In 1929 bereikte Hudson-Essex zijn absolute hoogtepunt:
-
circa 300.000 auto’s geproduceerd
-
derde plaats onder Amerikaanse autofabrikanten
-
alleen Ford en Chevrolet produceerden meer
Ter vergelijking:
-
Ford: ±1,5 miljoen auto’s
-
Chevrolet: ±1,3 miljoen auto’s
Hudson was kleiner, maar opereerde in een veel winstgevender segment.
Acht cilinders: noodzaak of verleiding?
Aan het einde van de jaren twintig begon de markt opnieuw te verschuiven. Concurrenten introduceerden achtcilinders, vooral inline-acht motoren die rust en prestige boden. Hudson kon dit niet negeren.
In 1930 introduceerde Hudson zijn achtcilinder lijnmotor. Technisch was het een goede motor, soepel en krachtig, maar strategisch problematisch:
-
duurder in productie
-
complexer
-
beperkte schaalvoordelen
Bovendien was Hudsons identiteit sterk verbonden met de zescilinder. De achtcilinder voelde als een noodzakelijke toevoeging, niet als een natuurlijke evolutie.
De schaduw van de Grote Depressie
Net toen Hudson zijn technische breedte had vergroot, sloeg het noodlot toe. De beurskrach van 1929 markeerde het begin van de Grote Depressie, en die raakte vooral middelgrote fabrikanten hard.
Voor Hudson betekende dit:
-
teruglopende verkopen
-
druk op marges
-
overcapaciteit in fabrieken
Essex, dat afhankelijk was van volume, kreeg het zwaar. Hudson zelf hield beter stand, maar kon de verliezen van Essex niet volledig compenseren.
Merknamen in beweging: Essex, Terraplane en identiteitsverlies
Om Essex nieuw leven in te blazen, besloot Hudson tot een reeks herpositioneringen:
-
1932–1933: Essex-Terraplane
-
1934: Terraplane
-
1938: Hudson-Terraplane
-
1939: Terraplane verdwijnt
De naam Terraplane was modern en vooruitstrevend, maar de voortdurende naamswisselingen zorgden voor verwarring bij het publiek. Het merk verloor zijn duidelijke identiteit, iets wat Hudson zelf juist altijd had gekoesterd.
Management en mentaliteit: de eerste barsten
In deze periode begonnen ook de eerste structurele zwaktes zichtbaar te worden:
-
een sterke focus op bestaande techniek
-
terughoudendheid tegenover radicale vernieuwing
-
voorzichtig financieel beleid dat soms omsloeg in besluiteloosheid
Hudson had jarenlang geprofiteerd van conservatisme. Nu begon datzelfde conservatisme een rem te worden.
Hudson aan het einde van de jaren twintig
Ondanks alle uitdagingen was Hudson eind jaren twintig nog steeds een gerespecteerd merk:
-
technisch solide
-
betrouwbaar
-
met een rijke historie
Maar de omstandigheden waren veranderd. De markt werd harder, kapitaalintensiever en innovatiegedreven. Hudson stond opnieuw op een kruispunt — en de keuzes die zouden volgen, zouden het lot van het merk bepalen.
Slot Deel IV
De jaren twintig waren Hudsons gouden decennium. Essex bracht volume, Hudson bracht prestige, en samen vormden ze een industriële grootmacht. Maar succes had ook een keerzijde: vaste overtuigingen werden dogma’s, en flexibiliteit nam af.
De volgende fase zou Hudson dwingen om te kiezen tussen behoud en vernieuwing — met ingrijpende gevolgen.
​
Deel V – Crisis, innovatie en gemiste kansen: Hudson in de jaren dertig (1930–1939)
De Grote Depressie: overleven in plaats van groeien
​
Toen de Grote Depressie zich begin jaren dertig volledig liet voelen, veranderde de Amerikaanse auto-industrie in een overlevingsstrijd. Honderden merken verdwenen. Zelfs gevestigde namen moesten snijden, vereenvoudigen en herpositioneren. Voor Hudson was dit een paradoxale periode: technisch was het bedrijf sterker dan ooit, maar commercieel werd elke beslissing risicovol.
Hudson had drie structurele problemen:
-
het was te groot om flexibel te zijn,
-
te klein om schaalvoordelen te benutten zoals GM, Ford en Chrysler,
-
en te conservatief om snel te radicaliseren.
Toch bleef Hudson overeind — en dat was op zich al een prestatie.
Achtcilinders en realiteitszin
Hudsons achtcilinder lijnmotor, geïntroduceerd rond 1930, was technisch verfijnd maar commercieel ongelukkig getimed. In een markt waarin kopers elke dollar omdraaiden, was een grote achtcilinder vooral een kostenpost.
Hudson reageerde pragmatisch:
-
de achtcilinder bleef beperkt beschikbaar,
-
zescilinders bleven het hart van het programma,
-
productie werd versoberd zonder kwaliteitsverlies.
Dit benadrukt opnieuw Hudsons kernmentaliteit: liever minder auto’s goed, dan veel auto’s half.
Terraplane: modernisering onder druk
De naamsverandering van Essex naar Terraplane was bedoeld om het merk los te trekken van zijn “goedkope” imago. De naam verwees naar luchtvaart en vooruitgang — een slimme keuze in een tijd waarin technologie hoop symboliseerde.
Technisch waren Terraplanes modern:
-
lichter gebouwd
-
krachtigere motoren per kilogram
-
sportiever rijgedrag
Terraplane werd zelfs gepromoot door figuren als Amelia Earhart, wat het merk aanzien gaf.
Maar het fundamentele probleem bleef: Hudson probeerde tegelijk modern, betrouwbaar, betaalbaar én onderscheidend te zijn. Dat werkte marketingtechnisch, maar niet structureel.
Innovatie zonder overtuiging: Electric Hand en “Rhythmic Ride”
Hudson introduceerde in de jaren dertig meerdere innovaties, maar vaak zonder volledige doorontwikkeling.
Electric Hand (1935)
De Electric Hand-transmissie was vooruitstrevend: schakelen via knoppen in plaats van een pook. In theorie modern, in de praktijk berucht:
-
storingsgevoelig
-
onvoorspelbaar gedrag
-
wantrouwen bij klanten
Hoewel het systeem technisch interessant was, schaadde het Hudsons reputatie voor betrouwbaarheid — precies datgene waarin het merk altijd had uitgeblonken.
Rhythmic Ride (1936)
De nieuwe onafhankelijke voorwielophanging was daarentegen een succes. Het systeem verbeterde:
-
rijcomfort
-
stabiliteit
-
wegcontact
Maar Hudson maakte er te weinig reclame voor. Concurrenten waren agressiever in het vermarkten van vergelijkbare innovaties.
Managementwissel: van Chapin naar Barit
De dood van Roy Chapin in 1936 markeerde het einde van een tijdperk. Chapin was geen visionair technicus, maar een bindende kracht tussen techniek, marketing en financiën.
Zijn opvolger, A.E. Barit, was een Hudson-veteraan pur sang — begonnen als stenograaf in 1910. Barit kende het bedrijf van binnenuit, maar was:
-
voorzichtig
-
behoudend
-
sterk gericht op kostenbeheersing
Onder Barit stabiliseerde Hudson financieel, maar verloor het merk langzaam zijn strategische scherpte.
De OHV-vraag: het grote ‘wat als’
Juist in de jaren dertig speelde een cruciale, maar vaak onderbelichte discussie binnen Hudson: bovenliggende kleppen (OHV) en V8-motoren.
Hudson experimenteerde met:
-
OHV-zescilinder prototypes (waaronder de zogeheten 7X)
-
V8-concepten tussen 1929 en 1933
-
later zelfs een mogelijke 327 V8, onderzocht samen met externe ingenieursbureaus zoals Leroy Engineering
Maar telkens werd de stekker eruit getrokken.
Waarom?
-
hogere ontwikkelkosten
-
onzekerheid over betrouwbaarheid
-
angst om de bestaande zescilinderreputatie te ondermijnen
Ironisch genoeg vertrokken meerdere Hudson-ingenieurs in deze periode naar concurrenten. Bernie Seigfried, betrokken bij OHV-zesconcepten, speelde later een sleutelrol bij Ford’s 240–300 truck six. Elementen daarvan kunnen direct worden herleid tot Hudsons ongebruikte ontwerpen.
Ook Vince Piggins, later betrokken bij Chevrolet, is een van de weinige aantoonbare schakels tussen Hudson en de ontwikkeling van de Small Block Chevy V8.
Hudson had de kennis — maar niet de durf.
Autosport als onderstroom
Hoewel Hudson in de jaren dertig minder zichtbaar was in grote races, bleef het merk geliefd bij:
-
onafhankelijke coureurs
-
hillclimb-rijders
-
dirt track racers
De robuuste zescilinders bleken ideaal voor zwaar gebruik. Hudson bouwde onbedoeld een reputatie als “driver’s car” — een reputatie die in de jaren veertig en vijftig explosief zou terugkeren.
Hudson aan de vooravond van de oorlog
Aan het eind van de jaren dertig was Hudson:
-
technisch capabel
-
financieel voorzichtig
-
maar strategisch defensief
Het merk leefde nog, maar het momentum was weg. Hudson had de kennis om opnieuw voorop te lopen, maar miste de overtuiging om door te pakken.
De Tweede Wereldoorlog zou alles stilzetten — en tegelijk een onverwachte reset bieden.
Slot Deel V
De jaren dertig waren Hudsons meest ambivalente periode: vol ideeën, experimenten en potentieel, maar gekenmerkt door terughoudendheid. Het merk overleefde, maar tegen de prijs van gemiste kansen — vooral op motorisch vlak.
Die gemiste kansen zouden later des te scherper zichtbaar worden, wanneer Hudson opnieuw zou schitteren… ditmaal op het circuit.
​
Deel VI – Oorlog, wederopbouw en de revolutionaire ‘Step-Down’ Hudson (1940–1948)
De oorlogsjaren: industriële discipline onder federale regie
​
Met de Amerikaanse deelname aan de Tweede Wereldoorlog kwam de civiele autoproductie in 1942 volledig tot stilstand. Hudson, net als andere fabrikanten, werd door de federale overheid verplicht om zijn productiecapaciteit in te zetten voor oorlogsmaterieel.
Hudsons fabrieken produceerden onder meer:
-
vliegtuigonderdelen
-
marinecomponenten
-
precisie-metaalwerk
-
munitiegerelateerde assemblages
Deze periode was cruciaal, zij het indirect. De oorlog dwong Hudson tot:
-
extreem strakke kwaliteitscontrole
-
gestandaardiseerde productie
-
nauwe samenwerking tussen ontwerp en fabricage
Voor een merk dat altijd al sterk was in constructieve degelijkheid, werkte dit als een versneller van discipline. Ingenieurs en productiemanagers deden ervaring op met toleranties en structurele sterkte op een niveau dat vóór de oorlog ongebruikelijk was in civiele autoproductie.
Het naoorlogse vacuüm: een unieke kans
Toen de oorlog in 1945 eindigde, lag de civiele automarkt volledig open. Jarenlang hadden consumenten geen nieuwe auto’s kunnen kopen. Veel fabrikanten grepen terug op licht gemoderniseerde vooroorlogse ontwerpen om zo snel mogelijk te leveren.
Hudson koos een andere weg.
In plaats van een cosmetische update besloot het management tot een fundamenteel nieuw ontwerp. Dit was opmerkelijk, want Hudson had zich in de jaren dertig juist terughoudend opgesteld. De oorlog had echter iets veranderd: Hudson had gezien wat structurele integratie en moderne productietechniek konden opleveren.
Het resultaat zou Hudsons meest radicale auto ooit worden.
De geboorte van het ‘Step-Down’-concept
In 1948 introduceerde Hudson zijn nieuwe modellen, gebaseerd op het zogeheten step-down chassis. Dit was geen evolutie, maar een breuk met conventies.
Wat was ‘step-down’?
In plaats van een traditioneel ladderframe met een carrosserie erop, gebruikte Hudson een semi-unitized constructie waarbij de vloerpan integraal deel uitmaakte van de structuur. De dorpels waren hoog, en inzittenden stapten letterlijk naar beneden in de auto — vandaar de naam.
Technische gevolgen:
-
extreem lage zitpositie
-
zeer laag zwaartepunt
-
uitzonderlijke torsiestijfheid
-
verbeterde wegligging
In een tijd waarin de meeste auto’s hoog en smal waren, voelde een step-down Hudson breed, stabiel en modern.
Geen gimmick, maar functionele innovatie
Belangrijk is dat Hudson het step-down ontwerp niet als futuristische marketing gebruikte. Het was een functionele oplossing voor meerdere problemen tegelijk:
-
betere veiligheid door een stijvere structuur
-
lager profiel zonder in te boeten op interieurruimte
-
verbeterde aerodynamica
-
superieure rijeigenschappen
De carrosserie was breed en laag, maar bood meer binnenruimte dan veel hogere concurrenten. Dit maakte diepe indruk op zowel pers als publiek.
Zescilinders heruitgevonden
Hoewel Hudson opnieuw geen V8 introduceerde, waren de zescilinders in de step-down modellen sterk verbeterd:
-
grotere cilinderinhoud
-
hogere compressie
-
verbeterde koeling
-
betere ademhaling
Deze motoren waren geen sportmotoren in moderne zin, maar ze leverden consistent koppel, ideaal voor het zware, stijve chassis.
Hudson bleef vasthouden aan zijn kernfilosofie: prestaties door balans, niet door piekvermogen.
Marktontvangst: respect en verwondering
De reacties op de 1948 Hudsons waren uitzonderlijk positief:
-
autobladen prezen de wegligging
-
klanten merkten het comfort
-
dealers zagen een toestroom van kopers
Hudson was plots weer relevant. Niet als goedkoop merk, maar als technisch vooruitstrevende fabrikant met een duidelijke eigen identiteit.
Belangrijker nog: het step-down chassis bleek ideaal voor iets wat Hudson niet expliciet had gepland…
De onverwachte terugkeer naar autosport
De lage bouw, het stijve chassis en het hoge koppel maakten de step-down Hudson uitzonderlijk geschikt voor stockcar racing. Coureurs ontdekten dat deze auto’s:
-
later konden remmen
-
harder door bochten gingen
-
minder last hadden van chassisflex
Zonder officiële fabriekssteun begon Hudson opnieuw naam te maken in de racerij — ditmaal op dirt tracks en ovals.
De kiem voor Hudsons meest legendarische raceperiode was gelegd.
Hudson aan de vooravond van de jaren vijftig
In 1948 stond Hudson op een positie die weinigen hadden verwacht:
-
technisch toonaangevend
-
onderscheiden van de massa
-
gerespecteerd door liefhebbers én racers
Maar er zat een adder onder het gras. De step-down carrosserie was duur om te bouwen en lastig aan te passen aan snelle stylingveranderingen. Concurrenten, vooral GM, hadden diepere zakken en flexibeler platforms.
Hudson had opnieuw een technisch meesterstuk afgeleverd — en stond opnieuw voor een strategische test.
Slot Deel VI
De step-down Hudson was het hoogtepunt van Hudsons ingenieurskunst. Het ontwerp combineerde alles waar het merk voor stond: structurele degelijkheid, praktische innovatie en rij-eigenschappen boven uiterlijk vertoon.
Onbedoeld had Hudson ook het perfecte wapen gecreëerd voor stockcar racing. In de volgende fase zou dat Hudson wereldberoemd maken — maar ook de kwetsbaarheid van het merk blootleggen.
​
Deel VII – NASCAR-dominantie, de ‘Fabulous Hudson Hornet’ en het laatste grote hoogtepunt (1949–1954)
Stockcar racing wordt serieus – en Hudson is er klaar voor
​
Aan het eind van de jaren veertig begon stockcar racing zich te ontwikkelen van lokale kermisachtige evenementen tot een gestructureerde nationale sport. In 1947–1948 werd NASCAR opgericht, met races op ovals, dirt tracks en later asfalt. Anders dan bij Europese autosport ging het hier om zwaar belaste, relatief standaard auto’s — precies het terrein waarop Hudson excelleerde.
Zonder dat Hudson dit aanvankelijk strategisch had gepland, bleek de step-down Hudson bijna perfect geschikt voor stockcar racing.
De reden was puur technisch:
-
extreem laag zwaartepunt
-
brede spoorbreedte
-
stijve carrosseriestructuur
-
veel koppel bij lage toerentallen
Concurrenten reden met hogere, flexibelere auto’s die in bochten overhellen en tractie verloren. De Hudson bleef vlak, stabiel en voorspelbaar.
De Hudson Hornet: geen raceauto, maar superieur gereedschap
De introductie van de Hudson Hornet in 1951 was het kantelpunt. De Hornet was het topmodel binnen de step-down range en beschikte over de krachtigste versie van Hudsons zescilinder.
​
De legendarische 308 cubic inch Six
De Hornet werd aangedreven door de 308 cu in (5,0 liter) L-head zescilinder, vooral in de zogeheten Twin H-Power uitvoering met dubbele carburateurs.
Kenmerken:
-
enorm koppel
-
zeer robuuste constructie
-
bestand tegen langdurige volbelasting
-
eenvoudig te tunen
Waar V8’s soms sneller waren op rechte stukken, verloor men terrein in bochten en bij betrouwbaarheid. De Hudson-zes bleef lopen — ronde na ronde.
Fabriekssteun zonder officiële fabriek
Hudson was formeel geen fabrieksteam, maar het management zag al snel de marketingwaarde van succes op de baan. Er ontstond een half-officiële ondersteuning:
-
technische adviezen
-
beschikbaarheid van onderdelen
-
informele samenwerking met topcoureurs
Dit stelde Hudson in staat te profiteren van racesucces zonder de kosten van een volwaardig fabrieksteam — opnieuw typisch Hudson: effectief, maar voorzichtig.
NASCAR in de vroege jaren vijftig: rauw, lokaal en ongepolijst
Om Hudsons racesucces goed te begrijpen, moet men beseffen wat NASCAR begin jaren vijftig wás — en vooral wat het níét was. NASCAR was:
-
geen high-tech fabriekssport
-
geen strak geregisseerd marketingplatform
-
geen professionele paddockwereld
Het was een mengvorm van:
-
lokale dirt tracks
-
county fairs
-
voormalige moonshine-rijders
-
onafhankelijke teams met minimale middelen
Auto’s waren zwaar, circuits waren ruw, veiligheid was primitief. Juist in die omgeving voelde de Hudson Hornet zich thuis.
De coureurs: vakmanschap boven bravoure
Marshall Teague – de ingenieur achter het stuur
Marshall Teague was geen flamboyante showman, maar een analytische rijder. Hij begreep:
-
hoe gewicht zich verplaatste
-
hoe je banden spaarde
-
hoe je races won door consistentie, niet door agressie
Teague werkte nauw samen met Hudson-ingenieurs en was een van de eersten die begreep hoe het step-down chassis maximaal benut kon worden. Zijn succes in 1951 was geen toeval, maar het resultaat van:
-
setup-inzicht
-
mechanisch respect
-
race-intelligentie
Hij werd het rationele gezicht van Hudsons dominantie.
Marshall Teague – de man die Hudson onsterfelijk maakte
Marshall Pleasant Teague (22 februari 1921 – 11 februari 1959) behoort tot de belangrijkste figuren uit de vroege geschiedenis van de Amerikaanse stockcarracerij én van Hudson Motor Car Company. NASCAR-fans gaven hem de bijnaam “King of the Beach”, een titel die hij verdiende door zijn dominante optredens op het legendarische Daytona Beach Road Course, waar strand en asfalt samen het decor vormden voor pure snelheid.
Teague was niet alleen een uitzonderlijk coureur, maar ook een visionair. Hij was een van de eersten die begreep dat stockcarracen méér kon zijn dan individuele privé-initiatieven: het kon een verlengstuk worden van fabrieksondersteuning en technische ontwikkeling. Daarmee legde hij de basis voor wat wij nu kennen als fabrieksteams in NASCAR.
De weg naar Hudson
In de periode 1949–1952 nam Marshall Teague deel aan 23 NASCAR Grand National-races, waarvan hij er maar liefst zeven wist te winnen. Zijn succes trok de aandacht, maar wat volgde was ongekend: zonder afspraak reisde Teague naar Michigan en liep hij simpelweg de fabriek van Hudson Motor Car Company binnen. Aan het eind van dat bezoek had hij vrijwel volledige steun van Hudson toegezegd gekregen — auto’s, technische ondersteuning en een officiële samenwerking.
Deze stap wordt algemeen beschouwd als het eerste door een Detroit-fabrikant ondersteunde stockcarteam in de geschiedenis. Hudson begreep wat Teague zag: racen was marketing, ontwikkeling én prestige tegelijk.
The Fabulous Hudson Hornet
Tijdens de seizoenen 1951 en 1952 was Teague een vaste waarde binnen het officiële Hudson-team en reed hij met de legendarische Fabulous Hudson Hornet. Deze auto, aangedreven door de beroemde 308 cubic inch (5,0 liter) lijn-zescilinder, bleek op papier misschien conservatief, maar in de praktijk revolutionair.
Teague speelde een cruciale rol in het optimaal afstellen van deze motor tot het uiterste van wat binnen de stock-regels mogelijk was. In combinatie met het lage zwaartepunt en het relatief lage gewicht van de Hudson Hornet resulteerde dit in een auto die de concurrentie — vaak met grotere en modernere V8-motoren — structureel wist te verslaan.
Samen met onder andere Smokey Yunick, die mede dankzij Teague zijn loopbaan als topmonteur begon, won Hudson 27 van de 34 grote stockcarevenementen in deze periode. Van 1951 tot en met 1954 domineerde Hudson de sport op een manier die sindsdien zelden is geëvenaard.
Breuk met NASCAR en nieuwe uitdagingen
In 1953 kwam het tot een conflict met NASCAR-oprichter Bill France Sr., waarna Teague zich terugtrok uit NASCAR en zijn aandacht verlegde naar de AAA- en USAC-raceklassen. Hij reed onder meer races die meetelden voor het toenmalige FIA Wereldkampioenschap, aangezien de Indianapolis 500 tussen 1950 en 1960 deel uitmaakte van dat kampioenschap. Hoewel Teague geen WK-punten scoorde, onderstreept zijn deelname zijn veelzijdigheid en ambitie.
Tragisch einde op Daytona
In februari 1959 testte Teague op het net geopende Daytona International Speedway, waar hij probeerde het snelheidsrecord op een gesloten circuit te breken. Hij reed in de futuristische Sumar Special, een gestroomlijnde Kurtis Kraft-wagen met een Offenhauser-motor en volledig omsloten cockpit — geclassificeerd als Formula Libre.
Op 9 februari 1959 reed Teague een ronde van 171,821 mph (276,5 km/u), waarmee hij het bestaande Amerikaanse baanrecord ruimschoots verbeterde. Twee dagen later probeerde hij nóg sneller te gaan. Tijdens een run verloor hij de controle in bocht drie; de auto sloeg over de kop en Teague werd, inclusief stoel, uit de wagen geslingerd. Hij overleed vrijwel direct, slechts elf dagen voor zijn 38e verjaardag en elf dagen vóór de eerste Daytona 500.
Nalatenschap
Marshall Teague liet een onuitwisbare indruk achter. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met de gouden jaren van Hudson in de racerij. Samen met zijn #6 Fabulous Hudson Hornet vormde hij zelfs de inspiratie voor het personage Doc Hudson in de Pixar-film Cars — een moderne ode aan een coureur en een merk die samen geschiedenis schreven.
Voor Hudson-liefhebbers staat Marshall Teague symbool voor een unieke periode waarin techniek, lef en visie samenkwamen — en waarin een zescilinder uit Detroit de hele racewereld verbaasde.
Herb Thomas – de stille kampioen
Herb Thomas wordt door historici vaak beschouwd als de beste pure NASCAR-coureur van zijn generatie. Hij won:
-
het NASCAR-kampioenschap in 1951
-
opnieuw in 1953
Beide titels behaalde hij in een Hudson Hornet.
Thomas stond bekend om:
-
foutloos rijden
-
uitzonderlijk mechanisch gevoel
-
het vermogen om races te “lezen”
Zijn Hudsons waren zelden spectaculair geprepareerd, maar altijd perfect afgestemd. Thomas bewees dat de Hornet niet alleen geschikt was voor dominante teams, maar ook voor individuele topcoureurs.
​​
Herb Thomas – de eerste meermaals kampioen van NASCAR
Herbert Watson Thomas (6 april 1923 – 9 augustus 2000) was een van de meest succesvolle stockcarrijders van de jaren 1950 en de eerste meermaals kampioen in de geschiedenis van NASCAR. Zijn carrière staat symbool voor de gouden jaren van Hudson in de racerij en voor het ontstaan van professionele teams binnen de sport.
​
Van boer tot racelegende
Geboren in het kleine stadje Olivia, North Carolina, werkte Thomas in de jaren 1940 als boer en in een zagerij. Zijn interesse voor auto’s en snelheid leidde hem naar de opkomende stockcarracerij. In 1949 nam hij deel aan de allereerste Strictly Stock-race — de voorganger van de Grand National en de moderne NASCAR Cup Series — en maakte dat jaar vier starts. Het volgende seizoen reed hij al dertien races en behaalde zijn eerste overwinning op de Martinsville Speedway, achter het stuur van een privé-Plymouth.
De Fabulous Hudson Hornet
In 1951 schakelde Thomas, op aanraden van zijn collega-coureur Marshall Teague, over naar een Hudson Hornet. Dit markeerde het begin van een historische samenwerking: Thomas won de Southern 500 met gemak en behaalde binnen twee maanden maar liefst zes overwinningen. Zijn late inhaalrace hielp hem het Grand National-kampioenschap te winnen, waarbij hij de eerste eigenaar/coureur werd die het kampioenschap in de wacht sleepte, geholpen door zijn crew chief Smokey Yunick.
In 1952 voerde Thomas een spannend kampioenschap uit tegen Tim Flock, de jongere broer van Fonty Flock. Beide rijders wonnen acht races met hun Hudsons, maar Flock bleek uiteindelijk iets consistenter en ging er met de titel vandoor.
Thomas keerde in 1953 sterker terug dan ooit en domineerde het hele seizoen, met twaalf overwinningen, waardoor hij de eerste tweevoudige kampioen van NASCAR werd. In 1954 herhaalde hij dit succes met opnieuw twaalf overwinningen, inclusief zijn tweede Southern 500-zege, waarmee hij de eerste coureur werd die twee keer op Darlington won. In de eindstand werd hij echter verslagen door een meer consistente Lee Petty.
Latere jaren en afscheid
Na vier succesvolle jaren in een Hudson stapte Thomas over op Chevrolet en Buick in 1955. Een zware crash in Charlotte tijdens het rijden van een Buick dwong hem tot een pauze van drie maanden. Hij keerde terug en won zijn derde Southern 500 in een Motoramic Chevy, wat hem nog een vijfde plek in het kampioenschap opleverde.
In 1956 reed Thomas kortstondig voor andere teams, waaronder drie overwinningen met Chryslers voor Carl Kiekhaefer, waarmee hij deel uitmaakte van het eerste volledig professionele NASCAR-team. Een zware blessure in Shelby, North Carolina, beëindigde vrijwel zijn actieve NASCAR-carrière, al maakte hij later nog een paar starts zonder succes. Zijn drie opeenvolgende overwinningen bleven echter zijn laatste triomfen.
​
Statistieken en nalatenschap
Herb Thomas beëindigde zijn carrière met 48 overwinningen uit 228 starts, goed voor een winpercentage van 21,05%, het hoogste aller tijden onder coureurs met meer dan 100 starts. Zijn jongere broer Donald Thomas won ook races in de Grand National-serie en hield tot 2005 het record als jongste winnaar van de serie vast.
Thomas werd erkend voor zijn prestaties met inducties in onder andere het International Motorsports Hall of Fame (1994), NASCAR Hall of Fame (2013) en Motorsports Hall of Fame of America (2017). Hij en zijn Fabulous Hudson Hornet zijn vereeuwigd op een historisch muurschildering in Sanford, North Carolina.
​
Overlijden en culturele impact
Op 9 augustus 2000 overleed Thomas aan een hartaanval in Sanford, North Carolina. Zijn nalatenschap leeft voort: Thomas diende, samen met zijn Hudson Hornet, als belangrijk model voor Doc Hudson in de Pixar-film Cars, waarbij aspecten van zijn leven en de iconische racinglivery van zijn auto duidelijk herkenbaar zijn.
Herb Thomas blijft een symbool van de Hudson-dominantie in de jaren 1950 en van de pioniersgeest die NASCAR groot maakte.
Tim Flock: talent, excentriciteit en controverse
Een uitzonderlijk rijtalent
Tim Flock was misschien wel de meest getalenteerde van alle Hudson-coureurs, maar ook de meest onvoorspelbare. Hij had:
-
bliksemsnelle reflexen
-
een agressieve, maar gecontroleerde rijstijl
-
een groot gevoel voor publiciteit
Flock was zich bewust van het feit dat NASCAR niet alleen sport was, maar ook entertainment — en dat bracht hem op een uniek idee.
Jocko Flocko: de aap die NASCAR veranderde
Hoe het begon
In 1953 besloot Tim Flock een chimpansee als mascotte mee te nemen in zijn Hudson Hornet. De aap kreeg de naam Jocko Flocko en werd:
-
vastgebonden in de passagiersstoel
-
soms voorzien van een helm
-
gefotografeerd met racebril en overalls
Wat begon als een publiciteitsstunt groeide razendsnel uit tot een nationaal fenomeen.
​
Media-explosie
Kranten en tijdschriften sprongen er massaal op:
-
foto’s van Jocko in de Hudson
-
verhalen over zijn gedrag tijdens races
-
interviews waarin Flock het half serieus, half ironisch toelichtte
Voor Hudson was dit ongekende gratis publiciteit. De combinatie van:
-
race-overwinningen
-
een iconische auto
-
een aap als “teamlid”
maakte Hudson plots cultureel relevant, ver buiten de autowereld.
De keerzijde: chaos in de cockpit
Jocko Flocko bleek echter minder meegaand dan gehoopt. Tijdens races:
-
trok hij aan het stuur
-
gooide hij met objecten
-
begon hij soms te schreeuwen of te bewegen bij hoge snelheid
Er zijn meerdere gevallen bekend waarin Flock races verloor of werd gediskwalificeerd door het gedrag van Jocko.
Een bekend incident betrof het 1953 Charlotte Speedway evenement, waar Jocko Flocko zó onrustig werd dat officials ingrepen.
NASCAR grijpt in
De NASCAR-leiding, die probeerde de sport serieuzer en veiliger te maken, trok uiteindelijk een grens. Levende mascottes in de cockpit werden verboden. Daarmee kwam abrupt een einde aan het Jocko Flocko-tijdperk.
Maar de impact was al gemaakt.
​
Culturele betekenis: meer dan een grap
Hoewel Jocko Flocko vaak als curiositeit wordt gezien, had het fenomeen diepere betekenis:
-
het liet zien hoe ongepolijst vroege NASCAR was
-
het benadrukte het verschil met Europese autosport
-
het maakte van Hudson een cultureel icoon, niet alleen een technisch succes
Tot op de dag van vandaag wordt Jocko Flocko genoemd in:
-
NASCAR-historie
-
musea
-
documentaires
-
verzamelcultuur
Hudsons race-erfenis in perspectief
Hudsons NASCAR-dominantie was uniek omdat zij:
-
voortkwam uit constructieve keuzes van decennia eerder
-
niet afhankelijk was van piekvermogen
-
zonder fabrieksteam werd bereikt
De Hornet won omdat hij logisch ontworpen was — niet omdat hij het krachtigst was.
Waarom dit verhaal blijft leven
De combinatie van:
-
briljante ingenieurskeuzes
-
onderschatte zescilinders
-
coureurs met karakter
-
en een aap op de passagiersstoel
maakt Hudsons racegeschiedenis tot een van de meest menselijke en memorabele hoofdstukken uit de Amerikaanse autosport.
Het is een verhaal waarin techniek, toeval, cultuur en persoonlijkheid samenkomen — en precies daarom zo goed past bij Hudson.
​
Tim Flock – pionier en tweevoudig kampioen
Julius Timothy Flock (11 mei 1924 – 31 maart 1998) was een invloedrijke Amerikaanse stockcarrijder en tweevoudig NASCAR Grand National-kampioen. Hij kwam uit een gezin van racers: zijn broers Bob en Fonty Flock en zijn zus Ethel Mobley, de tweede vrouwelijke coureur in NASCAR, waren ook actief in de sport.
Vroege carrière
Flock nam deel aan NASCAR’s allereerste Strictly Stock-race in 1949 op Charlotte, North Carolina, waar hij vijfde werd in een geleende Oldsmobile 88 van zijn pasgetrouwde buren. Het eerste seizoen eindigde hij op de achtste plaats in het kampioenschap, terwijl zijn broers Fonty en Bob respectievelijk vijfde en derde werden.
In 1950 behaalde Flock zijn eerste officiële overwinning op Charlotte en reed hij twaalf van de negentien races dat jaar. In 1951 won hij zeven races, waarmee hij zich vestigde als een van de snelste en meest constante coureurs van zijn tijd.
De Fabulous Hudson Hornet en eerste kampioenschap
In 1952 stapte Flock over op een Hudson Hornet, de beroemde “Fabulous Hudson Hornet”, en won acht races en vier poles. Aan het einde van het seizoen had hij 106 punten meer dan Herb Thomas, waardoor hij zijn eerste NASCAR Grand National Championship behaalde. Tijdens de laatste race in West Palm Beach sloeg Flock zelfs over de kop, wat hem de bijnaam opleverde: “de enige coureur die een kampioenschap op zijn kop won”.
Een bijzonder verhaal uit deze periode is dat Flock tijdens een race op 16 mei 1953 een resusaap als co-coureur had, genaamd Jocko Flocko. De aap hielp hem in zijn overwinning op Hickory, maar werd kort daarna met pensioen gestuurd na een incident tijdens een race in Raleigh.
Dominantie in 1955 en latere successen
Het jaar 1955 was recordbrekend voor Flock en NASCAR. Hij behaalde 19 poles en 18 overwinningen in 45 races, een record dat pas in 1967 werd verbroken door Richard Petty. Zijn 19 poles blijven tot op heden het hoogste aantal in één seizoen.
In 1956 won Flock de International Stock Car Road Race, de eerste NASCAR Cup-race ooit op Road America. Ondanks zijn successen kampte hij dat jaar met frustraties buiten de baan, vooral met team eigenaar Carl Kiekhaefer, en verliet diens team kort na de overwinning op North Wilkesboro wegens maagproblemen. Met Kiekhaefer had hij in totaal 21 overwinningen uit 46 starts behaald.
Conflict met NASCAR en vakbondsondersteuning
In zijn laatste races voor een tijdelijke pensionering werd Flock gediskwalificeerd vanwege “te veel soldeer op zijn carburateurschroeven”, wat algemeen werd gezien als represailles van NASCAR vanwege zijn steun aan een coureursvakbond. Net als Curtis Turner werd hij tijdelijk levenslang geschorst, maar hij bleef racen bij andere organisaties en keerde in 1966 terug bij NASCAR.
Later werkte Flock voor de Ford Motor Company, waar hij klanten amuseerde tijdens track events, en vanaf 1959 voor Charlotte Motor Speedway in verschillende rollen, waaronder public relations en kaartverkoop. Zijn laatste race was in 1991 tijdens de Battle of the NASCAR Legends in Charlotte, waarin hij als tiende eindigde.
Overlijden en nalatenschap
Tim Flock overleed op 31 maart 1998 aan lever- en keelkanker, tijdens NASCAR’s 50ste jubileumseizoen. Kort voor zijn dood werd hij geëerd als een van NASCAR’s 50 Greatest Drivers, en hij werd ook opgenomen in talloze halls of fame, waaronder:
-
International Motorsports Hall of Fame (1991)
-
Motorsports Hall of Fame of America (1999)
-
National Motorsports Press Association Hall of Fame (1972)
-
Alabama Sports Hall of Fame (2006)
-
NASCAR Hall of Fame (2014)
Flock wordt herinnerd als een van de meest invloedrijke coureurs van de vroege NASCAR-jaren, zowel vanwege zijn prestaties op de baan als vanwege zijn rol in het ondersteunen van coureursrechten. Zijn tijd achter het stuur van de Fabulous Hudson Hornet blijft een iconisch hoofdstuk in de geschiedenis van Hudson en de stockcarracerij.
1952–1954: Hudsons gouden jaren in NASCAR
Hudson domineerde NASCAR op een schaal die later nauwelijks werd geëvenaard. Het publiek begon te spreken over de “Fabulous Hudson Hornet” — een bijnaam die Hudson dankbaar omarmde.
-
1951: Hudsons winnen het merendeel van de races. Samen met de Hornet domineerde Teague het NASCAR-seizoen 1951. Hudsons wonnen: 27 van de 34 NASCAR Grand National races, meerdere kampioenschappen. talloze pole positions.
-
1952: opnieuw dominante aanwezigheid
-
1953: kampioenschap voor Herb Thomas
-
1954: laatste grote successen
Belangrijk is dat Hudson dit bereikte zonder:
-
OHV-motor
-
V8
-
geavanceerde aerodynamica
Het was puur chassisbalans, betrouwbaarheid en koppel.
Marketingeffect: straatreputatie = circuitreputatie
Hudson gebruikte het racesucces meesterlijk in advertenties:
-
“Win on Sunday, sell on Monday” avant la lettre
-
Hornet als prestatie-icoon
-
verbinding tussen racebaan en straat
Voor het eerst werd Hudson door het grote publiek gezien als prestatiemerk, niet alleen als degelijk.
Maar dit succes had een verborgen keerzijde.
Het probleem van het succes: stilstand bij verandering
Terwijl Hudson de NASCAR-wereld domineerde, veranderde de industrie opnieuw:
-
GM en Ford investeerden massaal in V8’s
-
OHV-techniek werd de norm
-
stylingcycli werden korter
Hudsons step-down carrosserie was aerodynamisch en functioneel superieur, maar:
-
duur om te produceren
-
moeilijk te restylen
-
te zwaar
De concurrentie begon Hudson in te halen op rechte stukken — letterlijk en figuurlijk.
De laatste overwinning vóór de realiteit
In 1954 won Hudson nog races en bleef het merk gerespecteerd. Maar intern wist men dat de rek eruit was. Het step-down platform kon niet eeuwig worden doorontwikkeld.
Hudson had opnieuw bewezen waartoe het technisch in staat was. Maar zonder:
-
V8
-
moderne OHV-techniek
-
schaalvoordelen
was voortbestaan als zelfstandig merk steeds moeilijker.
Slot Deel VII
De NASCAR-dominantie van Hudson was geen toeval en geen geluk. Het was het resultaat van decennialange keuzes: zescilinders boven piekvermogen, chassis boven marketing, techniek boven uiterlijk.
De Fabulous Hudson Hornet was het ultieme bewijs dat die filosofie kon winnen — zelfs tegen sterkere, rijkere concurrenten.
Maar de wereld veranderde sneller dan Hudson kon of wilde volgen.
​
​
​
Deel VIII – Fusie, verval en het einde van de naam Hudson (1954–1957)
De onvermijdelijke realiteit: winnen op de baan, verliezen op de markt
​
Begin jaren vijftig bevond Hudson zich in een paradoxale situatie. Op het circuit was het merk dominanter dan ooit, maar op de verkoopvloer begon het te worstelen. De Amerikaanse consument veranderde snel. Auto’s werden:
-
lager in aanschafprijs per pk
-
sneller qua stylingcycli
-
sterker gericht op V8-prestaties en uiterlijk
Hudson had prestige en sportieve geloofwaardigheid, maar miste drie cruciale zaken:
-
een moderne OHV V8,
-
voldoende kapitaal om een volledig nieuw platform te ontwikkelen,
-
de schaal om prijsdruk van GM, Ford en Chrysler te weerstaan.
Het step-down chassis, hoe briljant ook, was inmiddels een last geworden.
Het einde van de step-down Hudson
De step-down carrosserie was:
-
duur om te produceren,
-
lastig te moderniseren,
-
structureel ongeschikt voor snelle modelwissels.
Concurrenten konden jaarlijks nieuwe looks presenteren op bestaande platforms. Hudson kon dat niet zonder enorme investeringen. Daardoor begon het publiek Hudsons als “ouderwets” te zien, ondanks hun superieure rijeigenschappen.
De Hudson Jet: een ambitieuze maar kostbare stap
In de vroege jaren 1950 bevond Hudson Motor Company zich in een moeilijke positie. Terwijl de “Big Three” – General Motors, Ford en Chrysler – de Amerikaanse automarkt domineerden, probeerde Hudson zijn positie te behouden door een niche te vinden in het midden- en instapsegment. Het antwoord van Hudson op de opkomende vraag naar compacte, zuinige auto’s was de Hudson Jet, geïntroduceerd in 1953.
Ontwikkeling en ontwerp
De Hudson Jet was bedoeld als Hudsons eerste echte compacte auto. Het ontwerpteam onder leiding van Howard “Dutch” Darrin en het in-house team koos voor een korte wielbasis van 102 inch, aanzienlijk kleiner dan Hudsons traditionele modellen. Hudson probeerde een auto te creëren die zowel modern oogde als economisch aantrekkelijk was, zonder de kwaliteit en kracht van de grotere Hudsons te verliezen.
Het ontwerp van de Jet was echter conservatiever dan dat van sommige concurrenten. Hoewel het een relatief ruime cabine bood voor een compacte auto, was de styling van de Jet volgens critici weinig inspirerend: de auto leek een verkleinde versie van een grote Hudson en miste visueel onderscheidend vermogen.
Technische keuzes
Onder de motorkap behield Hudson de bekende inline zescilinder motor, die goed presteerde maar niet optimaal was voor het zuinige compacte segment. Dit betekende dat de Jet niet zo brandstofefficiënt was als concurrerende compacte modellen zoals de Nash Rambler, die een kleiner, lichter motorblok gebruikte.
De productie vereiste nieuwe tooling, persvormen en assemblagelijnen die speciaal voor de Jet moesten worden ontwikkeld. Dit betekende enorme investeringen voor Hudson, een bedrijf dat al krap bij kas zat in vergelijking met de grote Amerikaanse merken.
Commerciële teleurstelling
Bij de lancering werd de Hudson Jet gepositioneerd als een premium compacte auto. De verkoopcijfers vielen echter zwaar tegen. Klanten zagen de Jet als te klein voor een Hudson, terwijl de prijs hoger lag dan concurrerende compacte auto’s van merken zoals Nash, Studebaker en Kaiser. Daarnaast had de Jet te lijden onder negatieve publiciteit en het imago van Hudson als “oude” auto voor traditionele kopers.
De combinatie van hoge ontwikkelingskosten, dure productie en lage verkopen zorgde ervoor dat Hudson enorme verliezen leed op de Jet. In feite werd de Jet vaak aangehaald als het voorbeeld van een product dat een automerk financieel kon “uitputten”.
Gevolgen voor Hudson
De mislukking van de Jet had verstrekkende gevolgen. Hudsons financiële positie werd zo verzwakt dat het in 1954 vrijwel geen andere innovaties meer kon financieren. Binnen enkele jaren werd duidelijk dat Hudson zelfstandig niet langer competitief kon blijven. Dit leidde uiteindelijk tot de fusie met Nash-Kelvinator in 1954, waarmee de American Motors Corporation (AMC) werd gevormd.
De Jet zelf verdween kort na de fusie van de markt, maar bleef berucht als een dure mislukking die het einde van Hudson als zelfstandig merk bespoedigde.
Samengevat: de Hudson Jet was een ambitieus project om Hudson een plek te geven in het compacte segment van de jaren 50. Het ontwerp en de positionering faalden echter in de markt, terwijl de enorme ontwikkelingskosten het merk financieel zwaar belastten. De Jet is daarmee een klassiek voorbeeld van hoe een verkeerde productstrategie een ooit succesvol automerk kan ondermijnen.
​​
​De fusie met Nash-Kelvinator: rationeel maar pijnlijk
In 1954 werd duidelijk dat een zelfstandige toekomst vrijwel onmogelijk was. In datzelfde jaar fuseerde Hudson met Nash-Kelvinator Corporation. De nieuwe onderneming kreeg de naam American Motors Corporation (AMC). Het was op dat moment de grootste industriële fusie in de Amerikaanse auto-industrie.
​
George Romney aan het roer
De leiding kwam in handen van George W. Romney, een pragmaticus met een duidelijke visie:
-
schaalvergroting
-
kostenreductie
-
platformdeling
-
rationalisatie van merken
Voor Hudson betekende dit het begin van het einde als zelfstandig merk.
​
Hudson onder AMC: badge engineering en identiteitsverlies
Na de fusie werden Hudsons niet langer in Detroit gebouwd, maar in Nash-fabrieken. De auto’s die nog de naam Hudson droegen (1955–1957) waren in feite:
-
omgebouwde Nash-modellen
-
met andere grille, logo’s en details
-
maar zonder eigen technische identiteit
Voor trouwe Hudson-klanten was dit een bittere pil. De auto’s waren niet slecht, maar niet meer herkenbaar als Hudson.
Na de fusie tussen Hudson en Nash in 1954 was de publieke en vooral de liefhebbersreactie opvallend negatief. Voor veel trouwe Hudson- en Nash-rijders voelde de samensmelting niet als een versterking, maar als het verlies van twee duidelijke identiteiten. De nieuwe modellen die uit de fusie voortkwamen, werden door critici en spotters al snel smalend “Hashes” genoemd — een samentrekking van Nash en Hudson. Die bijnaam raakte een gevoelige snaar. In de praktijk waren de eerste “nieuwe” auto’s vooral Nashes met Hudson-naamplaten, of omgekeerd, zonder dat ze het beste van beide merken combineerden. Hudson-kopers herkenden hun lage, sportieve step-down-DNA niet meer terug, terwijl Nash-klanten weinig zagen van hun vertrouwde focus op efficiëntie en eigenzinnige techniek. In plaats van synergie ontstond het beeld van compromisauto’s: technisch rationeel, maar emotioneel leeg.
De term “Hash” werd daarmee meer dan alleen een woordspeling. Het stond symbool voor het wantrouwen van het publiek tegenover fusies in de Amerikaanse auto-industrie van de jaren vijftig, waarin schaalvergroting vaak betekende dat karakter en merkziel verloren gingen. Voor Hudson was dit extra pijnlijk: een merk dat juist bekendstond om eigenzinnige engineering en sportieve prestaties leek in één klap gereduceerd tot een badge op een anoniem platform.
Achteraf bezien was de fusie waarschijnlijk onvermijdelijk, gezien de financiële druk en de dominantie van de Big Three. Maar in de beleving van veel liefhebbers markeerde het Nash–Hudson huwelijk niet het begin van een nieuw hoofdstuk, maar het definitieve einde van Hudson als zelfstandig en herkenbaar merk. Dat de auto’s vervolgens werden weggezet als “Hashes”, zegt misschien wel alles over hoe weinig overtuigend die nieuwe identiteit werd gevonden.
Het verdwijnen van Hudson uit de autosport
Met het verdwijnen van het step-down chassis verdween ook Hudsons voordeel in stockcar racing. NASCAR evolueerde richting:
-
hogere snelheden
-
meer vermogen
-
V8-dominantie
Hudson had geen technische basis meer om competitief te blijven. De fabriekssteun stopte, teams schakelden over naar andere merken, en de Fabulous Hudson Hornet werd een herinnering.
1957–1958: het definitieve einde van de naam
In 1957 besloot AMC de naam Hudson definitief te schrappen. De merkwaarde woog niet langer op tegen:
-
marketingkosten
-
overlappende modellen
-
interne complexiteit
De 1958 modelreeks werd volledig onder AMC-merken gevoerd. Hudson, ooit een top-3 fabrikant, verdween stilletjes uit het straatbeeld.
Het einde van de fabriek, niet van de legende
De oorspronkelijke Hudson-fabriek aan Jefferson Avenue en Conner Street sloot. In 1956 werd het complex verkocht aan Cadillac, dat het kort gebruikte als metaalbewerkingsfabriek. Enkele jaren later, 1959–1960, werd het gebouw gesloopt.
Wat overbleef was geen fabrikant, maar een reputatie.
Hudsons nalatenschap: groter dan het merk zelf
Hoewel Hudson als merk verdween, leefde zijn invloed voort:
-
in de ontwikkeling van latere OHV-zescilinders
-
in chassisdenken rond laag zwaartepunt
-
in NASCAR-historie
-
in ingenieurs die hun kennis meenamen naar Ford, Chevrolet en AMC
De Hudson Hornet werd een cultureel icoon, vereeuwigd in:
-
verzamelcultuur
-
racemythologie
-
populaire media (tot ver na zijn tijd)
De ironie van Hudson
Hudson faalde niet door slechte auto’s. Het faalde doordat het:
-
te vroeg gelijk had over chassis en balans,
-
te laat meeging met V8-ontwikkeling,
-
te voorzichtig bleef toen de markt radicale keuzes vereiste.
Het merk stond symbool voor ingenieursgedreven perfectie in een marketinggedreven wereld.
Slotbeschouwing – Hudson in perspectief
Van een bescheiden start in 1909 tot NASCAR-dominantie in de jaren vijftig was Hudson een merk dat voortdurend tegen de stroom in durfde te denken — maar soms niet ver genoeg.
Het was geen merk van compromissen, maar van overtuigingen. En juist die overtuigingen maakten Hudson tegelijk groot én kwetsbaar.
​
​Tim Flock verteld over Jocko Flocko:
Jocko Flocko was een resusaap en is tot op heden de enige bekende “co-coureur” in de geschiedenis van NASCAR. Op 16 mei 1953 hielp Jocko Tim bij het winnen van de Grand National-race op Hickory, North Carolina – waarmee hij de enige winnende aap ooit werd. Helaas werd Jocko twee weken later, tijdens de race in Raleigh, North Carolina, gedwongen met zijn “rijtaken” te stoppen. Tim Flock herinnert zich het incident:
“Eigenlijk heb ik in 1953 acht races gereden met een aap, die ik Jocko Flocko noemde. Het begon als een publiciteitsstunt, en we gaven hem zijn eigen raceoverall en een speciaal ontworpen zitje.”
“Destijds hadden de auto’s een luik in de vloer dat we met een ketting konden opentrekken om de bandenslijtage te controleren. Nou, tijdens de Raleigh 300 wist Jocko los te komen uit zijn stoel en stak hij zijn hoofd door dat luik, waarna hij compleet door het lint ging! Luister, het was toen al moeilijk genoeg om die zware oude auto’s te besturen onder normale omstandigheden, maar met een doorgedraaide aap die je tegelijkertijd aanvalt, wordt het bijna onmogelijk! Ik moest de pits in om hem eruit te halen en eindigde uiteindelijk als derde. Die pitstop kostte me de tweede plaats en een verschil van 600 dollar op mijn loonstrook. Jocko werd per direct met pensioen gestuurd. Ik moest die aap letterlijk van mijn nek krijgen!”
Hudson en de step-down: visionair, maar op een verkeerd spoor? (stuk van indieauto.org)
In de vroege naoorlogse periode kwam Hudson het dichtst in de buurt van een Amerikaanse Mercedes-Benz. De in 1948 geïntroduceerde “step-down”-modellen beschikten over technische vernieuwingen die de meeste andere autofabrikanten pas jaren later zouden overnemen. In dat opzicht is het tragisch dat Hudson zijn onafhankelijkheid niet wist te behouden tot in de jaren zestig, toen de nadruk op wegligging, ruimte-efficiëntie, veiligheid en aerodynamica mogelijk een groter publiek had gevonden.
Tegelijkertijd kan worden gesteld dat de step-down in belangrijke opzichten een evolutionaire zijweg was. Historici hebben vaak opgemerkt dat de unibody-constructie van Hudson zich niet goed leende voor herstyling, waardoor de full-size modellen er in 1954 duidelijk verouderd uitzagen.
1948 Hudson achterzijde met 1954 en 1953
Deze foto illustreert de ontwikkeling van de achterzijde van de step-down. De auto op de voorgrond is een model uit 1948, zonder de grotere achterruit van de 1953 (achteraan) en zonder de verticale spatborden van de 1954 (in het midden).
Minder vaak genoemd is dat Hudson tegelijkertijd een verschuiving naar het hogere marktsegment maakte, wat zijn vermogen kan hebben ondermijnd om optimaal te profiteren van de naoorlogse verkopersmarkt, voordat deze omsloeg in een meedogenloos concurrerende (of anti-concurrerende, afhankelijk van je standpunt) markt.
Maar zelfs als Hudson erin was geslaagd om de step-down tijdig te moderniseren, was het vasthouden aan het full-size, premium geprijsde segment mogelijk een doodlopende weg. Hudson had waarschijnlijk een geheel nieuw marktsegment moeten creëren om te overleven. Helaas gokte het merk verkeerd met de noodlottige compacte Jet.
Hudson schuift qua prijs boven Buick
1948 Hudson advertentie
De introductie van de step-down ging gepaard met aanzienlijke prijsstijgingen in het gehele Hudson-gamma. Het goedkoopste model — de Super Six coupé voor drie personen — steeg in catalogusprijs van $1.628 naar $2.069.
Het topmodel, de Commodore Eight cabriolet met twee deuren, ging van $2.196 naar $3.138. Hoewel de Amerikaanse autoprijzen in het algemeen stegen, verhoogde Hudson zijn prijzen sterker dan concurrenten uit de Big Three zoals Buick, Chrysler en Oldsmobile.
Hudson bevond zich nu aan de top van het premiumsegment, waarbij de goedkoopste modellen tussen de middenklasse Buick Super en de topklasse Roadmaster in zaten. Zelfs de goedkoopste vierdeurssedan van Packard was goedkoper dan Hudsons vergelijkbare achtcilindermodel ($2.275 tegenover $2.343).
Prijzen 1941–1948
De forse prijsstijgingen bij Hudson weerspiegelden mogelijk deels het hogere gewicht van de step-down. Het gewicht van een Super Six uit 1948 nam met meer dan 400 pond toe, terwijl de lengte van de auto vrijwel gelijk bleef aan die van het voorgaande jaar.
Misschien nog belangrijker is de opmerking van voormalig Hudson-directeur Roy D. Chapin Jr., die stelde dat de auto een reeks voorzieningen had die leidinggevenden bij General Motors te duur vonden om zelfs in een Cadillac toe te passen (Langworth, 1993).
Dashboard 1948 Hudson Commodore
Het topmodel Commodore uit 1948 had een fraai afgewerkt dashboard dat voor die tijd uitzonderlijk breed was.
Naoorlogs ontwerp: maximale interieurruimte
Het meest in het oog springende voordeel van de step-down was de royale interieurruimte. Richard M. Langworth merkte op dat de Hudson uit 1948 “61¾ inch zitbreedte vóór en 63 inch achter bood — een benutting van meer dan 82 procent van zijn 77 inch totale breedte, het hoogste percentage in de industrie” (1993, p. 34).
Mijn indruk is dat dit vooral te danken was aan het feit dat Hudson een volledig nieuw ontwerp introduceerde, in plaats van een hertekende, smallere carrosserie uit de vooroorlogse periode. Dit wordt duidelijk bij een vergelijking met Packard-modellen uit 1948–1950, waar de extra breedte uitsluitend voortkwam uit nieuwe ‘pontoon’-zijpanelen.
1948 Hudson Commodore
1948 Packard Super Eight
In tegenstelling tot de Hudson gebruikte Packard in 1948 nog steeds zijn carrosserie uit het begin van de jaren veertig, zij het met een grondige facelift die de auto ongeveer anderhalve inch breder maakte. Dat leverde echter geen extra schouder- of heupruimte op.
Hudsons grootste claim to fame was natuurlijk de overstap naar zelfdragende carrosseriebouw, waardoor passagiers tussen de chassisbalken zaten in plaats van erop. Dit vergrootte de interieurruimte niet zozeer, maar zorgde wel voor een lager zwaartepunt, betere wegligging en een visueel lagere, elegantere auto. Bij introductie was de step-down vier tot negen inch lager dan zijn directe concurrenten.
Specificaties 1948 Hudson en concurrenten
De step-down was zwaarder dan zijn voorganger, maar Hudsons bleven lichter dan hun directe concurrenten. Zo was een Super Eight vierdeurssedan bijna 450 pond lichter dan een Chrysler Saratoga. Omdat Hudson tot en met 1954 grotendeels dezelfde carrosserie bleef gebruiken, nam dit gewichtsvoordeel vaak toe naarmate de Big Three hun auto’s groter en uitbundiger maakten.
1950 Oldsmobile 98
De Big Three voerden in de vroege naoorlogse jaren vooral evolutionaire veranderingen door. Zo was de Oldsmobile 98 uit 1950 weliswaar 80 inch breed, maar had hij slechts een spoorbreedte vóór van 59 inch, wat resulteerde in een minder sportieve houding dan een Hudson.
Hudson Commodore: goed afgewerkt en ruim
De afgebeelde auto in dit verhaal is een Commodore uit 1948. Dit topmodel van Hudson zat qua prijs tussen de Buick Roadmaster vierdeurssedan in. De zescilinder was ongeveer $20 goedkoper dan de Roadmaster, de achtcilinder circa $100 duurder. Daarvoor kreeg je een ruime en fraai afgewerkte auto.
1948 Hudson – achterbank
1948 Hudson Commodore met geopende achterdeur
Om de elleboogruimte te vergroten, kregen de deurpanelen een uitsparing en werden de zijruiten onder een hoek van 17 graden geplaatst (Langworth, 1993). Het is interessant om te bedenken hoe de auto eruit zou hebben gezien als het oorspronkelijke plan voor gebogen zijruiten niet was geschrapt.
Ging Hudson te ver omhoog in de markt?
De step-down verkocht in de eerste vier jaar behoorlijk goed. De productie piekte in 1949 met 159.100 auto’s, het hoogste aantal van alle onafhankelijke autofabrikanten dat jaar.
Daarna bleef Hudson achter bij Nash en Studebaker — en zakte het merk in 1953 zelfs onder Packard. Was dit deels te wijten aan te hoge prijzen?
Productie onafhankelijke merken 1948–1956
Anders gezegd: had Hudson de naoorlogse jaren beter kunnen doorkomen door vast te houden aan zijn eerdere strategie, waarbij het merk zowel het lagere als het hogere marktsegment bediende? Dat is in essentie wat Nash en Studebaker met enig succes deden.
Het management introduceerde in 1950 de goedkopere Pacemaker-serie en in 1951 de legendarische Hornet. Ook kwam er een tweedelige hardtop, maar die bleek te duur en te inspiratieloos om Hudsons high-performance imago echt te versterken.
1953 Hudson Hornet Hollywood hardtop
Was modernisering genoeg geweest?
Historici bekritiseren Hudson vaak omdat het veel geld stak in de mislukte compacte Jet, in plaats van in een V8-motor en vernieuwde styling voor de grote modellen. Zoals elders besproken, was de Jet duidelijk een verkeerde beslissing.
Toch roept dit de vraag op waar Hudson op de lange termijn de meeste kans van slagen had gehad. Had de step-down moeten meegroeien met de Big Three en een grote V8 moeten krijgen? Of zou Hudson samen met andere premiummerken ten onder zijn gegaan, waarvan de gezamenlijke productie tussen 1955 en 1959 bijna halveerde?
Productie premiummerken 1949–1959
Mijn vermoeden is dat Hudson zou zijn weggevaagd als het de Big Three had nagevolgd. Bovendien is de vraag of Hudson zich zowel een volledig nieuwe carrosserie als een eigen V8-motor had kunnen veroorloven, tenzij de ontwikkelingskosten substantieel waren gedeeld met andere fabrikanten.
Het moderniseren van de full-size Hudson zou bovendien kostbaar zijn geweest, mede door eigenaardigheden van het step-down platform, zoals de naar binnen geplaatste achterwielen. Daarnaast werd tegen het midden van de jaren vijftig een lagere carrosserie noodzakelijk.
Had Hudson een realistische toekomst?
De Jet was waarschijnlijk te klein voor een Hudson, maar het merk had wellicht succes kunnen hebben door het pionieren van wat later het “intermediate” segment zou worden. Dat had gekund door het instapmodel Wasp te vereenvoudigen, bijvoorbeeld door de wielbasis en lengte met acht inch te verkorten (respectievelijk tot 111 en 194 inch). Daarmee zou Hudson qua formaat tussen een Rambler uit 1956 en een Ford zijn gepositioneerd.
Als de verkoopcijfers van de Rambler een indicatie zijn, had een middelgrote auto grotendeels met zescilindermotoren kunnen volstaan. Misschien had Hudson zich kunnen redden door kleine V8’s in te kopen bij een andere fabrikant, zoals Studebaker.
Met een slanke, lage carrosserie die optimaal gebruikmaakte van het step-down chassis, had een middelgrote Hudson een aantrekkelijk alternatief kunnen zijn voor de steeds overdrevener Big Three-auto’s van eind jaren vijftig. In plaats daarvan nam Nash een stervend Hudson over en kregen we de saaie Rambler. Een belangrijke auto, zeker — maar nauwelijks een Amerikaanse Mercedes-Benz.
Een van Hudsons fatale fouten was de Hollywood hardtop uit de periode 1951–1954 (stuk van indieauto.org)
Een paar jaar geleden stuitte ik bij toeval op de Hudson Motor Car Fan Club. De Facebookpagina bood niet veel historische analyse, maar bevatte wel een aantal prachtige foto’s. Vooral de afbeeldingen van de Hudson Hornet coupés uit 1953 spraken me aan. Dat bracht me aan het denken: waarom kreeg juist de coupé zoveel aandacht, en niet de tweedeurs hardtop? Hardtops waren begin jaren vijftig immers dé nieuwe trend.
Maar niet bij Hudson. De “Hollywood” hardtop, die in 1951 werd geïntroduceerd, oogde duidelijk behoudender en generieker dan de club coupé van het merk, met diens semi-fastback daklijn en fraaie afgeronde achterste zijruiten. De coupé had een sportief karakter, terwijl de hardtop eerder plomp en braaf overkwam — bijna als een opgeblazen Hudson Jet uit 1953–1954.
1953 Hudson Hornet Hollywood hardtop
1953 Hudson Hornet club coupé
De hoekigere raampartij (“greenhouse”) van de hardtop (bovenste afbeelding) oogde onhandig op de afgeronde carrosserie van de Hudson, zeker in vergelijking met de club coupé. Afgebeeld zijn Hornet-modellen uit 1953 (Old Car Brochures).
Mijn vermoeden is dat een deel van het probleem lag in het feit dat Hudson kosten probeerde te besparen door de portierruiten van de cabriolet te gebruiken, wat de daklijn platter maakte. Mogelijk stonden de ontwerpers ook onder druk om meer hoofdruimte achterin te creëren dan bij de coupé.
Hudsons hardtops waren duurder dan die van de concurrentie
Misschien wel het grootste probleem van Hudsons hardtops was dat ze duurder waren dan vergelijkbare modellen van concurrerende merken. Zo kostte een Super Wasp hardtop in 1953 maar liefst $399 meer dan de equivalente tweedeurs sedan en $346 meer dan de coupé. Dat was een uitzonderlijk groot prijsverschil vergeleken met andere merken in het hogere segment:
-
Buick Special ($98 meer)
-
Mercury Custom ($113 meer)
-
Nash hardtops (ongeveer $130 meer)
-
Studebaker Commander ($161 meer)
-
Pontiac Chieftain Eight DeLuxe ($244 meer)
-
DeSoto hardtops (ongeveer $270 meer)
-
Oldsmobile Super 88 ($278 meer)
Om dit in perspectief te plaatsen: de Super Wasp — de goedkoopste Hudson hardtop — kostte $2.812 en de Hornet was geprijsd op $3.095. Ter vergelijking: Buicks Special hardtop kostte $2.295 en de middenklasse Super $2.611. Alleen de topklasse Roadmaster hardtop was duurder dan de Hornet, met een prijs van $3.358.
1953 Buick Super hardtop
Mede door deze agressieve prijsstelling verkochten Buicks tweedeurs hardtops in grote aantallen. Zo steeg in 1953 de productie van de Super Riviera Hardtop Coupe tot meer dan 91.000 exemplaren, waarmee hij zelfs de vierdeurs sedan voorbijstreefde (Old Car Brochures).
Hudson kreeg uit zijn hardtop wat het erin stopte
De Hollywood hardtop verkocht slecht. In 1953 werden er slechts 590 Wasp- en 910 Hornet-hardtops gebouwd, op een totaal van 45.000 full-size Hudsons. Ter vergelijking: de Buick Special hardtop kwam bijna aan 59.000 stuks. Zelfs de dure DeSoto-hardtops haalden productieaantallen van vijf cijfers.
1953 Mercury Monterey tweedeurs hardtop
Mercury’s Monterey tweedeurs hardtop kostte in 1953 $2.244 — slechts $111 meer dan de equivalente vierdeurs sedan. Deze topversie bleek Mercury’s populairste model en overschreed de 76.000 exemplaren (Old Car Brochures).
Richard Langworth schreef dat de Hudson hardtop “werd gebouwd zoals de cabriolets, vrij individueel, en extra werd verstevigd om de spanningen van een raamopening zonder B-stijl op te vangen” (1993, p. 61). De cabriolet zelf werd gebouwd door simpelweg het dak van een club coupé af te zagen.
(zie ook: ‘How would a facelifted Hudson have fared in 1955?’)
Dit verklaart waarschijnlijk de hoge catalogusprijs van de hardtop — en waarom deze carrosserievorm nooit hoge aantallen kon halen. Vermoedelijk koos Hudson voor deze aanpak omdat de gereedschapskosten veel lager lagen dan wanneer men een volledig nieuwe hardtop had ontworpen.
Was Nash slimmer in zijn hardtop-aanpak?
Hudsons aanpak stond in schril contrast met die van Nash. In plaats van een unieke daklijn te ontwerpen voor zijn hardtops, ontwikkelden Nash-ontwerpers een raampartij die werd gedeeld door alle twee- en vierdeursmodellen. Hierdoor kon Nash zijn hardtops veel dichter bij de prijs van de tweedeurs sedans positioneren dan Hudson.
1953 Nash Ambassador tweedeurs hardtop
Hoewel de Statesman- en Ambassador-hardtops van Nash dezelfde raampartij deelden met de sedans, overschreed de productie in 1953 de 13.000 exemplaren — bijna negen keer zoveel als Hudson (Old Car Advertisements).
Men zou kunnen aanvoeren dat de Nash-raampartij niet sportief oogde, omdat deze vooral was ontworpen met ruimte in gedachten. Als compromis had Hudson zijn tweedeurs coupé-raampartij kunnen herontwerpen zodat deze ook voor een hardtop bruikbaar was. Dat zou er beter hebben uitgezien, goedkoper zijn geweest en waarschijnlijk in veel hogere aantallen zijn verkocht.
Die aanpak zou in lijn zijn geweest met Studebaker, dat in 1953 dezelfde raampartij gebruikte voor zowel de tweedeurs coupé met stijlen als de hardtop. In de commentaarsectie merkte Stewdi op dat de meerprijs voor een hardtop $161 bedroeg — bijna de helft van het jaar ervoor, toen de hardtop nog een eigen daklijn had.
1953 Studebaker tweedeurs hardtop
1953 Studebaker tweedeurs coupé
Het design leed niet onder de kostenbesparing bij Studebaker, ondanks het delen van de raampartij tussen hardtop en coupé in 1953. Deze aanpak had net zo goed voor Hudson kunnen werken (Old Car Brochures).
Ik beweer niet dat een op de coupé gebaseerde hardtop Hudson in zijn eentje had kunnen redden, maar het had de neergang wellicht enigszins kunnen afremmen.
Er is veel gezegd over het ontbreken van een V8 bij Hudson in de vroege jaren vijftig. Wat men daar ook van vindt, ik zou willen stellen dat het ontbreken van een concurrerende tweedeurs hardtop minstens zo’n relevante discussie verdient. Hoe dacht het Hudson-management ooit een serieuze niche te kunnen veroveren als performance-merk, zonder een hardtop die in grote aantallen verkocht werd?
​
​

