De GM sit down staking van 1937
Het was de winter van 1936; de werknemers van GM waren het zat. De werkomstandigheden waren erg slecht. Dit leidde tot de belangrijkste staking in de Amerikaanse industrie en die duurde van 30 december 1936 tot en met 11 februari 1937.
De bezetters werden al snel geconfronteerd met het probleem van het organiseren van het ‘leven’ in de fabriek. Tijdens een dagelijkse bijeenkomst van alle stakers in de fabriek werden beslissingen genomen. Het hele gebeuren rondom de sit-down kwam hier ter sprake. Alle besluiten vonden hun oorsprong in deze bijeenkomsten. Het belangrijkste comité bestond uit 17 personen. De stakers in de fabriek toonden een felle onafhankelijkheid van de UAW-leiding buiten de fabriek. Bob Travis, de UAW-organisator in Flint, hoewel gerespecteerd door de stakers, moest toestemming vragen om iemand naar binnen te sturen om informatie voor de pers te verzamelen. Onder voorwaarde van controle op die informatie mocht dat. Een staker vertelde een verslaggever dat hij en zijn metgezellen de fabriek niet zouden verlaten, zelfs niet als de vakbondsvoorzitter dat zou willen, tenzij ze kregen wat ze wilden.
Groepen van vijftien mensen, meestal mannen die normaal samenwerkten op een afdeling, richtten een ‘huis’ in in een hoek van een hal en woonden samen als familie. Iedere groep had zijn eigen vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordigers kwamen ook regelmatig samen. Het eigenlijke werk van de staking werd gedaan door groepen op het gebied van voedsel, recreatie, informatie, onderwijs, postdiensten, sanitaire voorzieningen, opsporen van geruchten en coördinatie met de buitenwereld, enz. Iedere arbeider zat bij minstens één van deze groepen en was verantwoordelijk voor minstens zes uur stakingsdienst.
Er was speciale aandacht voor verdediging. Een patrouille maakte ieder uur een ronde door de hele fabriek op zoek naar tekenen van een aanval. Beveiliging werd ingesteld bij deuren en trappen. Stakers gebruikten een productielijn om ploertendoders te maken van rubber slangen, gevlochten leer en lood, en bedekten de ramen met stalen platen met gaten voor brandslangen. Er werd regelmatig geoefend met de brandslangen en men verzamelde stapels bouten, moeren en deurscharnieren als munitie.
Om 15.00 uur floot een fluit en alle mannen verzamelden zich aan één kant van de fabriek. De eerste groep haalde het afval op, de tweede bracht alles op orde en de laatste maakte de vloer schoon. Men douchte dagelijks. Deze maatregelen waren gericht op het behoud van moraal en gezondheid. Ook werden de machines beschermd; sommige werden zelfs gesmeerd. Er werd gecontroleerd op brandgevaar. Eten werd bereid door vrijwilligers buiten de fabriek en werd naar de stakers gebracht door stakende buschauffeurs.
Men had zelfs een rechtbank opgericht om overtredingen van de regels te straffen. De meest serieuze ‘misdaden’ waren het niet uitvoeren van de opgedragen taken: niet komen opdagen, in slaap vallen, verlaten van je post, de vaat niet doen, roken buiten de kantine, niet fouilleren van bezoekers, lawaai in het stiltegebied (waar 24 uur per dag stilte was), enz. Straffen pasten bij de misdaad. Als je niet ging douchen, moest je de badkamer schrobben. Pas als je herhaaldelijk niet luisterde, werd je de fabriek uitgegooid. De rechtszaken hadden veel humor en zorgden voor vermaak. Verslaggever Edwin Levinson vertelde dat ‘er meer substantiële humor in een enkele sessie van de kangoeroerechtbank in de Fisher-fabriek was dan in een seizoen van Broadway musical comedies’.
Dit soort informele vrolijkheid en creativiteit leek goed aan te slaan. Een favoriet tijdverdrijf was in een cirkel te gaan staan en een naam roepen. Deze persoon moest dan gaan zingen, fluiten, dansen of een verhaal vertellen. Iedere fabriek had zijn eigen band. De stakers verzonnen couplet na couplet over de staking op de melodie van populaire en countrymuziek. Algemene vergaderingen begonnen en eindigden met zingen. Vooral ‘Solidarity Forever’ was populair.

Bouten, moeren en scharnieren werden gebruikt als munitie.

Gepensioneerde Majoor Henry A. Geerds toont een 'machinegeweer' dat gemaakt is door de stakers van Fisher Body Plant 2 in Flint

Vakbondsleiders met een geluidsauto
Eén staker schreef naar huis: “We zijn met zijn allen een gezellige groep, we voelen ons goed en hebben genoeg te eten. We hebben enkele goede banjospelers en zangers. We zingen en roepen naar de Fisher-jongens en zij doen hetzelfde.” Een andere schreef: “Ik heb het naar mijn zin: iets nieuws, iets anders, veel lol en muziek.” Een psycholoog gaf aan dat de verandering van de atmosfeer zorgde voor een verandering in de persoonlijkheid. Er was een ‘wij’-gevoel dat groter was dan het ‘ik’-gevoel. Ze hadden een paleis gemaakt van hun gevangenis en voelden zich nog nooit zo levend.
Hulp kwam vanuit het hele land. Men was trots op het contract dat men had afgesloten met de Milk Wagon Drivers Union. Nu kwam zelfs de melk van vakbondschauffeurs! Ondanks de poging van de AFL om de staking te saboteren, hielpen de afdelingen in Flint, Detroit, Cleveland en Minneapolis de stakers. De URW Goodyear zond $3.000. Zesduizend man kwam van UAW Studebaker. Vrachtwagens met eten kwamen aan vanuit Akron. Hudson- en Chrysler-arbeiders begonnen een “one-hour-a-day-club”, waarbij het loon van één uur per dag werd gedoneerd aan het stakersfonds. Zelfs kleine ondernemers sloten zich aan. Eén van hen zei: “Deze hele rij winkels staat achter de vakbond. Ik heb nooit dividend gekregen van GM; een vakbondsoverwinning is beter voor mijn business.”
Buiten de fabrieken ondersteunde een netwerk van commissies de staking: verdediging, voedsel, geluidsauto, vervoer, aflossing, publiciteit, enz. Vrouwen waren vooral belangrijk buiten de fabrieken. De vakbondsleiding had besloten dat alleen mannen de fabrieken mochten bezetten, tot grote woede van enkele vrouwelijke arbeiders. Steun van de vrouwen was essentieel voor het moreel, iets wat GM ook erkende. Zij zette dan ook mensen in om de vrouwen onder druk te zetten om hun mannen weer te laten werken. Maar de echtgenotes en vrouwelijke arbeiders gingen meewerken in de commissies. Na een oudejaarsdanskfeest besloten vijftig vrouwen om een vrouwenbondgenootschap te vormen. Zij richtten een kinderdagverblijf op voor moeders die staakten, een EHBO-post en een welzijnscommissie, onder andere. Toen de gevechten met de politie begonnen, stelden de vrouwen zich op in militaire rijen en waren klaar om te vechten tegen de politie. Een leider zei: “We zullen een lijn rond de mannen vormen en als de politie wil schieten, moeten ze eerst op ons schieten.” Een nieuw type vrouw was ontstaan tijdens de staking. “Vrouwen die eerst ontsteld waren over de vakbonden, die zich ongeschikt voelden voor taken als organiseren, spreken en leiden, zijn, als bij donderslag, het speerpunt geworden van de vakbeweging.” Eén vrouw zei: “Ik vond een gemeenschappelijke visie en onzelfzuchtigheid die ik niet van mezelf kende. Ik heb nu eindelijk een doel in mijn leven. Vrouw zijn is niet meer voldoende; ik wil een mens zijn die voor zichzelf kan denken.”
De vakbond coördineerde de staking en gaf aan dat de grootste eis erkenning was. Wat erkenning inhield werd echter niet duidelijk uitgelegd. Arbeiders namen aan dat het betekende dat er een duidelijke stem voor hen zou komen bij industriële beslissingen, en zij steunden dat enthousiast. De staking spreidde zich snel uit van Flint naar andere GM-fabrieken. Arbeiders gingen zitten bij Guide Lamp in Anderson (Indiana), bij Chevrolet en Fisher Body in Janesville (Wisconsin) en bij Cadillac in Detroit. Gewone stakingen ontwikkelden zich in Norwood en Toledo (Ohio) en Ternstedt (Michigan). GM moest de productie stoppen bij Pontiac, Oldsmobile, Delco-Remy en andere fabrieken wegens tekorten aan carrosserieën. Op 1 januari werden alle Chevrolet- en Buick-fabrieken gesloten; 100.000 GM-arbeiders zaten zonder werk. GM’s prognose voor januari van 224.000 auto’s en vrachtwagens was verlaagd naar 60.000, en in de eerste tien dagen van februari werden slechts 151 auto’s geproduceerd in het hele land.

De auto van een sheriff moet het ontgelden

De staking bij Fisher Body


Women’s Auxiliary bij de Flint sit down
GM weigerde te onderhandelen totdat de fabrieken geëvacueerd zouden zijn en begon een tegenaanval op drie niveaus: juridisch, anti-staking en geweld. Op de derde dag van de staking (2 januari) verzochten en kregen GM-advocaten van rechter Edward Black een dwangbevel tot evacuatie van de stakers en toegang tot de fabrieken voor degenen die wel wilden werken. De sheriff las dit bevel voor aan de stakers, die hem uitjouwden, waarop hij vluchtte. Vervolgens controleerde een gevatte vakbondsadvocaat de zaak de volgende dag en ontdekte dat de rechter 3.365 aandelen had in GM met een waarde van $219.900. Hierdoor was de rechter niet onpartijdig en verloor het bevel zijn waarde. Ook toonde dit aan dat de organisatie invloed had op de overheid.
Een vakbondsconferentie van 300 man in Flint formuleerde de eisen: vakbonds erkenning voor de UAW, heraanstelling van alle ontslagenen, senioriteit, minimumlonen, dertigurige werkweek, vijfdaagse werkweek, 150% loon bij overwerk, geen stukwerk meer en productiviteitsverlaging in plaats van verhoging.
GM en de pers spraken over een Sovjet-stijl tirannie in een industrie waar 20% meer werd verdiend dan gemiddeld. De volgende stap van GM was de oprichting van de Flint Alliance ‘voor de veiligheid van onze banen, huizen en gemeenschap’ (7 januari). Het werd geleid door George Boysen, een voormalig (en toekomstig) manager bij GM en, zoals een onderzoeker van de staatspolitie later zou verklaren, een product van GM. De alliantie werkte nauw samen met de Flintse gemeentemanager Barringer. Het begon met anti-stakingspubliciteit en het werven van arbeiders, ondernemers, boeren, huisvrouwen en scholieren; iedereen die een kaart wilde ondertekenen. Op die manier verkregen ze gegevens van mensen. Lidmaatschap was gratis. Boysen stelde dat een hoog aantal deelnemers nodig was om een groot effect te hebben en de staking te kunnen smoren. De arbeiders vonden de omstandigheden slecht, maar waren bang hun baan kwijt te raken als ze niet lid werden.
Twee weken lang was er weinig geweld in Flint. GM’s directeur Alfred P. Sloan wilde niet eens onderhandelen met de stakers. Dit maakte het lastig om overleg tussen de stakers en het bedrijf te initiëren. Op 11 januari werden helpers die eten kwamen brengen tegengehouden door bewakers die door de stakers waren aangewezen om de begane grond te bewaken. De stakers probeerden het voedsel via een acht meter hoge ladder te bemachtigen, maar de bewakers versperden de weg naar de ladder. Plotseling blokkeerde de politie de toegang tot de fabriek voor al het verkeer. Er werd duidelijk een poging ondernomen om de stakers uit te hongeren en uit te zetten. Tenzij de stakers de poorten zouden innemen, zou dat kunnen lukken. Twintig stakers marcheerden met knuppels naar beneden en eisten de sleutel van het hek. “Mijn opdracht is om de sleutel aan niemand te geven,” zei de bewaker. De stakers gaven hem en zijn collega’s tien tellen, waarop zij vluchtten en zich opsloten op het damestoilet. Zij zeiden later dat ze gekidnapt waren. De stakers verbrijzelden daarop de houten hekken onder luid gejuich van andere stakers. Het leek erop dat de hele situatie in scène was gezet.
Plotseling kwamen er patrouillewagens aan met veel agenten. Zij begonnen traangasgranaten naar de stakers en de fabriek te gooien. De omroepauto van de vakbond riep de stakers op hun posten te houden en de brandslangen te bemannen. Nu kwamen de voorbereidingen van pas. De agenten werden bespoten met brandslangen en er werd gegooid met deurscharnieren. De traangasgranaten werden direct in emmers water gedompeld; dit was vooraf voorbereid. Binnen vijf minuten trok de politie zich terug, doorweekt en gehavend. De politie viel nogmaals aan, maar de stakers hadden zich hergroepeerd en dreven hen opnieuw weg, waarop de politie begon te schieten. Terwijl gewonden werden weggedragen, werd de auto van de sheriff met de sheriff erin omgegooid. Er vielen 13 (andere bronnen zeggen 27) gewonden.
Het conflict van 11 januari kreeg al snel de bijnaam “Battle of the Running Bulls”. Het werd beschouwd als een grote overwinning voor de stakers, mede omdat zij de politieaanvallen konden weerstaan. Tot dan toe vijandige arbeiders werden ook lid van de vakbond. De UAW kreeg er duizenden leden per dag bij. De dag na de overwinning kwamen duizenden arbeiders de overwinning vieren. Er waren echter ook 1.200 aanhoudingsbevelen uitgevaardigd om stakers op te kunnen pakken; naast vernieling van eigendommen werden ze ook aangeklaagd voor kidnapping. Dit leidde ertoe dat gouverneur Frank Murphy de National Guard inschakelde (12 januari).
Murphy was een New Deal-gouverneur bij uitstek. Hij was een zeer liberale man en bevriend met onder anderen Walter Chrysler en Lawrence Fisher, wiens fabrieken het doel van de stakingen waren. Hij had echter ook 1.650 aandelen van GM met een waarde van $104.875. Murphy was niet echt van plan de National Guard in te zetten en geweld te gebruiken. Ook GM wilde dit niet. Knudsen verklaarde dat GM de staking via onderhandelingen wilde oplossen. Toch liet GM zeven van de gewonden arresteren toen zij uit het ziekenhuis kwamen. Murphy vond de staking wel illegaal, maar wilde geen bloedvergieten. Hij wilde de National Guard alleen gebruiken om burgerwacht- en Flint Alliance-aanvallen te voorkomen, terwijl hij bleef dreigen met het uithongeren van de stakers. Hij kreeg op 15 januari zelfs een wapenstilstand voor elkaar waarbij GM zou beloven geen machines te verplaatsen en de fabrieken 15 dagen gesloten te houden. Er zouden alleen gesprekken plaatsvinden met de UAW, maar wel over alle acht eisen. De stakers buiten Flint moesten de fabrieken dan wel verlaten. De stakers zouden dan hun troef—het bezetten van de fabrieken—moeten opgeven.


Chevrolet Avenue, de ochtend na de 'Running of the bulls'


Frank Murphy, New Deal Gouverneur
Binnen Fisher 1 waren de arbeiders al begonnen met opruimen en inpakken, en men zou na een diner met kip de fabriek verlaten om naar de Fisher 2-fabriek te gaan. De wapenstilstand en evacuatie werden echter afgeblazen toen een verslaggever, Bill Lawrence, de vakbond via Henry Kraus op de hoogte bracht van de misleiding van GM. Hij had een persbericht van het bureau van George Boysen in handen gekregen. Travis stuurde direct boodschappers naar de Fisher 1-fabriek. UAW-directeur Martin zag geen probleem in de onderhandelingen met de Flint Alliance; CIO-directeur Brophy en vicepresident Mortimer steunden de zet van Travis wel.
De plannen om te onderhandelen met de Flint Alliance waren GM’s manier om de vakbond buiten de deur te houden. Vanwege hun betrokkenheid bij de “Battle of the Bulls” waren Travis, Kraus en Roy en Victor Reuther reeds gearresteerd wegens onwettige samenscholing en vernieling van eigendommen. Deze aanklachten werden echter al snel ingetrokken. Ondertussen waren enkele fabrieken alweer vrijgegeven: Guide Lamp in Anderson en Cadillac en Fleetwood aan de westkant van Detroit. Men hield spandoeken omhoog met de tekst: “Today GM, tomorrow Ford.”
Op verzoek van Roosevelt werden de onderhandelingen weer opgestart, waarna GM ze na twee dagen opnieuw stopzette. GM zwoer zijn fabrieken weer te openen omdat de productie vrijwel stil lag. Roosevelt werd verzocht GM te verplichten de onderhandelingen te hervatten, maar hij weigerde en vond dat geen goed idee. GM zag dit als een signaal om de staking te breken. Op dezelfde dag kondigde Boysen aan dat de Flint Alliance een actieve rol zou gaan spelen in de heropening van de fabrieken. Op de 26e weigerde GM te verschijnen bij een vergadering die was gepland door Perkins, secretaris van Labor in Washington. Roosevelt noemde dit “onfortuinlijk”.
Burgerwachten sloopten het hoofdkantoor van de UAW in Anderson (Indiana) en dreven de vakbondsorganisatoren de stad uit. De Alliance belegerde vier vakbondsafgevaardigden in Saginaw en sloeg hen bijna dood. Uiteindelijk heropende GM Chevrolet-fabrieken die niet door stakingen waren platgelegd; het ging om 40.000 arbeiders. Deze fabrieken waren feitelijk eerder door GM gesloten om werknemers onder druk te zetten en de UAW de schuld te geven. Auto’s konden daar nauwelijks worden gebouwd, maar er kon wel voorraad worden opgebouwd. Travis vond niet dat dit het slechtste was dat de arbeiders kon overkomen; velen zaten zonder werk en konden zo toch geld verdienen zolang de carrosseriefabrieken nog gesloten waren.
GM wilde via de rechter een nieuw dwangbevel verkrijgen en zocht een rechter die geen aandelen in GM bezat. Rechter Gadola werd op 1 februari verzocht een nieuw dwangbevel op te stellen, waardoor de fabrieken moesten worden ontruimd en de staking beëindigd. Dit gebeurde omdat GM veel verkoop en dus geld verloor ten gunste van Ford en Chrysler. Als de stakers niet toegaven, zou hij zonder tussenkomst van de gouverneur de National Guard inzetten.
Op dezelfde dag zou er een protestmars zijn vanwege de afstraffing van de vier vakbondsafgevaardigden; deze werd echter op verzoek van Murphy afgelast. Travis was woedend en wees erop dat Murphy de afgevaardigden zelfs had kunnen beschermen.
Chevrolet No. 4
De stakers leefden al enkele weken zonder gas en elektriciteit omdat GM deze had afgesloten. GM kreeg weer meer grip op de situatie. Zonder tegenactie zouden de eisen van de vakbond verwateren en zouden zij hun positie verliezen.
De lokale leiders in Flint bedachten een gedurfd plan om de macht over te nemen in de grote Chevrolet No. 4-fabriek. In deze fabriek werden jaarlijks 1 miljoen motoren gebouwd. Het probleem was dat de vakbond daar weinig invloed had en dat de fabriek werd bewaakt door Arnold Lenz (dankzij hem kreeg Pontiac in 1955 de V8 Strato-Streak-motor, twee jaar na zijn dood). Lenz had een streng regime ingesteld en ontsloeg regelmatig mensen die lid waren van de vakbond.
Dat gebeurde opnieuw op vrijdag 29 januari. Hierop riep de UAW een vergadering bijeen op zondag. 1.500 leden kwamen opdagen. Travis schetste de situatie en stelde dat de vakbond heraanstelling van ontslagenen zou eisen. Daarna moesten 150 man blijven. Bij deze zorgvuldig geselecteerde Chevrolet-arbeiders, waaronder ook informanten, kondigde Bob Travis samen met Kraus en Roy Reuther een sit-down aan bij Chevrolet No. 9 om 15.20 uur de volgende dag (1 februari). Vervolgens werd de belangrijkste groep verteld dat fabriek No. 9 slechts een kort oponthoud hoefde te zijn omdat het echte doel No. 6 was. Ondertussen had Travis drie leiders van No. 6 en No. 4 (Ed Cronk, Howard Foster en Kermit Johnson) verteld dat No. 9 slechts een afleidingsmanoeuvre was. Slechts zes mensen wisten dus dat No. 4 het echte doel was.
Zoals verwacht waren de beveiligers getipt en gingen van No. 4 naar No. 9. Het plan van Travis werkte. De informatie lekte al snel naar Lenz. Hij geloofde het omdat de vergadering mysterieus was opgezet in een donkere ruimte, met instructiebrieven die pas later gelezen mochten worden. Om 15.20 uur de volgende dag, tegelijk met de hoorzitting van GM, was er een grote samenkomst bij de vakbondshal, opgezet als een ‘protestmars’ naar de rechtbank. Duizenden mensen kwamen opdagen en de vrouwelijke hulptroepen waren ook in grote getale aanwezig. Ondertussen reden de geluidswagens van de vakbond door de stad, begeleid door beveiligers, en eindigden zij bij de No. 9- en No. 6-fabriek. Vijf minuten later rende Dorothy Kraus buiten adem naar Travis en gaf hem een brief. Travis richtte zich tot de menigte en zei: “Ze slaan onze jongens in elkaar bij Chevy 9, laten we erheen gaan!” Wat niemand wist was dat de brief een blanco stuk papier was. De menigte ging snel naar No. 9, waar de journalisten al aanwezig waren omdat zij getipt waren. Lenz was er volledig ingetrapt. De gehele gewapende macht van de Chevrolet-divisie stond paraat.
Om 15.20 uur marcheerde de nachtploeg al ‘staking’ roepend naar binnen. De bewaking sloot direct de poorten en rende onder leiding van Lenz naar binnen, roepend: “Rooie! Communisten!” De in de minderheid zijnde arbeiders vochten dapper. Ondertussen werden traangasgranaten naar binnen gegooid. Toen een vrouw het bebloede hoofd van haar man bij een open raam naar lucht zag happen, schreeuwde zij naar de Rode Baretten: “Ze laten ze stikken! We moeten ze lucht geven.” De vrouwen sloegen alle ramen kapot. Eén van hen zei later: “Ze vochten binnen en buiten en als wij niet ingegrepen hadden was het veel erger geweest. Het gas dreef naar buiten, recht op ons af, maar we waren het al gewend en gingen ervoor.” Om 15.45 uur rende de manager van fabriek No. 4 langs de lijnen om alle GM-mannen naar No. 9 te dirigeren, waardoor No. 4 vrijwel verlaten was. Uiteindelijk gaven de twee leiders, Ted La Duke en Tom Klasey, om 16.10 uur het bevel aan de mannen om naar buiten te gaan. Daarna werden de lopende banden stilgezet. Bij de rechtbank werd ondertussen nog steeds gesproken over het dwangbevel.
Veel arbeiders werden bedreigd met ontslag door de voormannen. Vakbondsmannen marcheerden door de hallen, “We staken” roepend. Naarmate het aantal stakers groeide, groeide ook hun moed. Er was vrijwel geen fysiek geweld meer. Al snel waren er honderden stakers. Omdat er nog steeds afdelingen gesloten moesten worden, zwermden vakbondsmensen langs de machines, stilte achterlatend. Men dreef met enige overtuigingskracht de GM-mensen uit de fabriek. De fabriek was “dood” en lag erbij als een gewonde reus. De vakbond had de controle en sprak overal met twijfelende arbeiders.
Ondertussen riep een te kleine groep arbeiders bij No. 4 dat de fabriek gesloten moest worden, maar zij werden amper gehoord. Degenen bij No. 6 die bekend waren met het plan kwamen ook naar No. 4, maar het waren er nog te weinig. Toen zij teruggingen naar No. 6, bleek de hele fabriek al te staken, waarna men naar No. 4 liep en die zo kon sluiten.
De arbeiders die niet wilden staken verlieten de fabriek; ongeveer 2.000 man bleef binnen en eenzelfde aantal vertrok en liet hun lunches achter. Een welkome aanvulling. Toen om 16.15 uur de voormannen verdreven waren, werden de ingangen gebarricadeerd. De bewaking die terugkwam van No. 9 werd verjaagd met zuigers, drijfstangen, tuimelaars en brandslangen. Eén van de vrouwen klom op de geluidswagen en riep dat ze even het traangas uit hun ogen gingen vegen en snel weer terug zouden zijn. Ze wilden geen geweld, maar zouden wel hun mannen beschermen. Al snel waren ze terug: een optocht van honderden vrouwen met rode baretten. Ze verdeelden zich voor de fabriek en maakten duidelijk dat men eerst over hun lijken moest om bij de mannen te komen. Er werd echter geen enkele poging gedaan.
De vrouwen verschansten zich en bereidden zich voor op een overnachting. In de fabriek werd de achteringang gebarricadeerd met gondels vol metalen onderdelen. De grote machtige No. 4-fabriek was verlamd en GM was in het hart geraakt. De plannen, bedacht door Travis, en de vindingrijkheid en heldendaden van de stakers hadden voor de overwinning van de UAW-CIO gezorgd. Joe Sayen klom over het hek en sprak de menigte toe: “We willen dat de hele wereld weet waarvoor wij vechten. Wij vechten voor leven en vrijheid. Dit is onze grote kans. Wat als we zouden worden verslagen? Wat als we gedood worden? We hebben maar één leven; dat is alles wat we kunnen verliezen, en we kunnen beter sterven als helden dan als slaven.” De sluiting van No. 4 op de 34e dag liet zien dat de stakers nog niet uitgeput waren en nog steeds hun grip op de industrie konden vergroten.
De GM ‘back to work’-beweging kwam tot stilstand. Murphy was woedend. De onderhandelingen waren “vernield”, zei hij. Hij hekelde de sit-downtactiek. Hij zette troepen in rondom Chevy 4. De troepen namen bezit van alle straten en aanrijroutes. Een staat van beleg werd afgekondigd. Bewakers met bajonetten omringden Chevy No. 4. Acht machinegeweren en 37mm-houwitsers werden in de heuvels geplaatst met uitzicht op de fabrieken, en er was een grote voorraad traangas. Niemand mocht de fabrieken in, geen vakbondsleden, maar ook niet de familie. Hierdoor kwam er ook geen voedsel in de fabrieken. De National Guard werd uitgebreid van 2.300 naar 4.000 man.

De National Guard bezet de straten

De National Guard Arriveert bij de Chevrolet fabriek



Walter Reuther begon met werken in de Ford-fabrieken in 1927 en werd ontslagen in 1932. Volgens Ford is hij vrijwillig vertrokken; naar eigen zeggen werd hij ontslagen vanwege zijn socialistische activiteiten. Samen met zijn broer ging hij bij GAZ in Gorky (Sovjet-Unie) werken. Deze fabriek is opgezet met medewerking van Henry Ford. Hier ervoeren zij een sfeer van vrijheid, veiligheid, werkoverleg en een proletarische industriële democratie, een groot contrast met hun werk als loonslaven bij Ford. Terug in de VS ging hij voor GM werken en werd actief lid van de UAW. Hij heeft wel met communisten samengewerkt, maar was meer een anti-stalinistische socialist. Hij heeft twee keer in het ziekenhuis gelegen nadat hij in elkaar was geslagen door stakingsbrekers in 1937 en 1940. Bij de Battle of the Overpass had hij een hardhandige confrontatie met de veiligheidsmensen van Ford.
Door de winst bij de sit-downstakingen was het ledental van de UAW geëxplodeerd. Men kon niet meer om de UAW heen.
Reuther hielp ook bij de stakingen voor de erkenning van de vakbond bij GM in 1940 en Ford in 1941. Deze werden gewonnen. In de oorlog zat hij o.a. bij de War Production Board. Na de oorlog leidde hij een 113 dagen durende staking bij GM in 1945/1946; deze liep niet helemaal zoals gewenst omdat GM zich hard verzette tegen de eis van de UAW voor een loonsverhoging zonder prijsverhogingen, waardoor het conflict uitgroeide tot een bredere strijd over lonen, prijzen en inflatie in de naoorlogse economie. Uiteindelijk werd een compromis bereikt met een lagere loonsverhoging dan geëist en zonder invloed van de vakbond op prijsbeleid.
In 1946 werd hij net geen president van de UAW. Hij deed ondertussen erg zijn best om communisten uit de kantoren van de vakbond en CIO te zetten. In 1948 overleefde hij een aanval met een shotgun bij hem thuis. In 1949 was hij een invloedrijke liberaal en steunde hij de New Deal-coalitie. In 1952 werd hij president van de CIO en wilde hij graag fuseren met George Meany van de American Federation of Labor. Dit lukte in 1955. Staken deed hij door één van de Big Three plat te leggen, waardoor de verkopen naar de andere twee gingen. Behalve hogere lonen en betaalde vakanties kwamen er ook pensioenen (1950 Chrysler), zorg (GM 1950) en een soort ziektewet (Ford 1955). In de jaren 60 steunde hij de mensenrechtenbeweging. Hij bleef invloedrijk tot aan zijn dood bij een vliegtuigcrash in 1970. Hij sprak zelfs wekelijks met president Johnson in 1964/1965.
Op 2 februari had rechter Gadola het bevel ondertekend en werden de arbeiders verplicht de fabrieken binnen 24 uur te verlaten. De dagvaarding verbood ook het protesteren buiten de fabriek, en ook de vrouwelijke hulptroepen moesten het gebied verlaten.
De kachels werden afgesloten, waarna men dreigde kampvuren te maken. Direct gingen de kachels weer aan. Hetzelfde gebeurde met het licht. Op 3 februari moest de National Guard het voedselverbod opheffen onder dreigementen van vernieling.
Er was een plan van oorlogsveteranen waarvan de vakbond geen kennis had genomen. Zij hadden de taak op zich genomen de leiders buiten de fabrieken te beschermen. Zouden de leiders gearresteerd worden op basis van het dwangbevel van Gadola, dan zouden zij het stadhuis, politiebureau en de rechtbank bezetten en alle ambtenaren arresteren en de vakbondsleden vrijlaten.
De stakers gingen niet in op het nieuwe bevel van Gadola. Zij hadden nog maar één eis: de erkenning van de UAW door GM. Gouverneur Murphy had GM overtuigd te onderhandelen met de stakers. Het kleed werd onder Barringers “leger” weggetrokken toen een GM-manager hem vroeg te demobiliseren. Er stond voor honderden miljoenen aan machines op het spel. Hij zei: “Het laatste wat we willen is rellen in de straten.” GM probeerde op allerlei manieren de arbeiders uit de fabrieken te lokken. Doktoren kwamen bij de arbeiders vertellen dat een kuchje een gevaarlijke ziekte was. Eén man werd verteld dat zijn vader stervende was; hij vertrok direct. Ook werden er briefjes gebracht waarin stond dat een familielid ziek was. Uiteindelijk bleven de stakers toch vrijwel allemaal in de fabrieken.
Ondertussen zette de AFL zijn verzet voort. Nadat men eerder GM steun had betuigd, stelde men nu dat de staking een nederlaag was. Men eiste dat de fabrieken weer geopend zouden worden. Hun leden hadden namelijk nooit voor een staking gestemd. De carrosseriefabriek in Cleveland had zes leden. Toen Lewis werd gevraagd wat dit voor effect zou hebben op de staking, antwoordde hij: “Is die man weer aan het werk gegaan?”
De president van de AFL, William Green, had naar verluidt een belofte van Roosevelt gekregen dat hij niet zou ingrijpen namens de CIO. Green vroeg GM de UAW niet te erkennen. Deze AFL-actie had net zoveel effect op de UAW als de aanval van een worm op een Mack-truck.
De sheriff las de dagvaarding voor aan de stakers. Die weigerden uiteraard. Hij vroeg Murphy hem te helpen en de National Guard in te zetten. Inmiddels zaten er 3.000 man in Fisher No. 1. Toen stadsvertegenwoordiger Barringer in de gaten kreeg dat de 4.000 man van de Guard niets deden tegen de stakers, gaf hij de politie opdracht een 500 man sterk eigen leger in te zetten. “We gaan daar schietend naar binnen,” zei hij. “De stakers hebben de stad overgenomen en wij nemen hem terug.” Murphy wilde zijn ongeschonden imago behouden en hoopte op een overeenkomst tussen GM en de stakers. Er werden steeds meer burgerwachten geronseld; er waren er al 1.000 die samen met de 4.000 Guards, de Flint Police en de Flint Alliance klaarstonden om in te grijpen. De Michigan Sheriffs’ Association bood ook nog eens 1.300 man aan.
De vraag rees wat te doen in het geval van een grootschalige aanval. Walter Reuther (hoofd van Local 174) wilde de arbeiders vertellen dat ze zich passief moesten verzetten en op de grond moesten gaan liggen om naar buiten te worden gedragen. Travis was woedend. “Je laat deze jongens toch niet naar buiten lopen als geslagen honden. Als je dat doet ruk je hun hart eruit. Ze hebben gevochten tegen de politie; tegen het tuig van GM; en de National Guard kunnen ze ook aan!”
Eén staker schreef: “Ik hoop dat niemand gewond raakt. Het zijn allemaal goede mensen. Wij zijn niet en willen ook niet gewelddadig zijn. We komen echter ook niet naar buiten...”
De 3.000 man in Fisher No. 1 waren voorbereid en hadden de fabriek ook ingericht ter voorkoming van een gasaanval. Ondanks het verbod waren er ook wapens aanwezig. Een meerderheid van de stakers had zich opgegeven voor een strijd tot de dood. Op 2 februari berichtte men aan Murphy: “De politie is van GM, de sheriff is van GM, net als de rechters. Het valt nog te bezien of de gouverneur ook van GM is. Wij hebben besloten in de fabriek te blijven en hebben geen illusies over de offers die dit met zich mee zal brengen. We verwachten dat velen van ons zullen sterven bij een aanval en we grijpen deze kans aan om onze vrouwen, onze kinderen, de mensen van de staat Michigan en het land te laten weten dat u schuldig bent aan onze dood.”
Travis had om hulp verzocht. Duizenden arbeiders, waaronder veel vrouwen, kwamen uit andere autosteden zoals Detroit en Toledo naar Flint om te demonstreren. De fabrieken werden stilgelegd toen iedereen vertrok. Auto-Lite, Kelsey-Hayes, Dodge en Chrysler steunden de GM-arbeiders. De menigte van tienduizenden arbeiders bezette Flint en demonstreerde in het centrum en rond de bedreigde Fisher No. 1-fabriek. Chevy No. 4 viel buiten de uitzetting omdat deze na de dagvaarding was bezet.
Vijfduizend vrouwen werden bijeen gebracht door de vrouwenhulptroepen. Zij besloten in het centrum te demonstreren. De mobilisatie werd “Vrouwendag” genoemd om provocaties te voorkomen. Toen de deadline naderde gingen zij naar de Fisher No. 1-fabriek en mengden zich onder de duizenden anderen; men omcirkelde de fabriek met een menigte van zes rijen dik. Toen de stakers de 5.000 vrouwen met rode baretten zagen met hun knuppels, poken, breekijzers en pijpen, gingen ze door het lint. “Het was alsof we soldaten waren die het fort beschermden; het was oorlog. De mensen om mij heen werden mijn vrienden. Ik herinner me als kind op school het verhaal van Davy Crockett en ‘the last stand at the Alamo’. Dit voelde als ons Alamo.”
Op 7 februari nam Lewis, hoofd van de CIO, deel aan de gesprekken in Detroit samen met Mortimer en advocaat Pressman. Mortimer verving Martin, die was “weggestuurd” om te voorkomen dat hij de onderhandelingen zou verstoren.
Murphy was aan het eind van zijn latijn. Op de avond van 10 februari bracht hij de dagvaarding naar de hotelkamer van Lewis om hem te melden dat deze zou worden uitgevoerd. Lewis antwoordde dat hij dan zelf de fabriek zou ingaan om de National Guard aan te vallen.
Met tienduizenden arbeiders rondom de fabrieken en meer dan 5.000 stakers die bereid waren te sterven, gaf GM op de 44e dag van de staking uiteindelijk toe. Het erkende de vakbonden in de stakende fabrieken en zou gedurende zes maanden alleen met hen onderhandelen. De bonden hadden er vertrouwen in omdat er geen concurrentie was waarmee zij moesten concurreren. Ook achtten zij zes maanden voldoende om alles te regelen. Alle ontslagen stakers moesten opnieuw worden aangenomen en er mochten geen represailles plaatsvinden. Vakbondsbuttons mochten in de fabrieken worden gedragen; daarvoor werd men eerder ontslagen. De dagvaarding werd ingetrokken. De onderhandelingen zouden binnen vijf dagen starten. GM verhoogde direct het loon met vijf cent per uur in de hoop de vakbond de wind uit de zeilen te nemen. De arbeiders zagen de 25 miljoen dollar loonsverhoging echter als een overwinning van de vakbond.

Op 11 februari om 17.00 uur werd de staking beëindigd en verlieten de stakers na 44 dagen de fabrieken met hun bezittingen in een pakketje op hun rug. Oorverdovend gejuich weerklonk buiten de fabriek. In een parade van ruim 3 km, waarbij allerlei mensen zich onderweg aansloten, trok men van Fisher Body No. 1 naar No. 2 en Chevy No. 4. “Solidarity forever” zingend trok de menigte naar het centrum van Flint, de “Union Town”. De sfeer van het moment werd goed omschreven door een dronken arbeider die tegen een ander zei: “Emmet, je moet me geloven, het is de CIO in mij die praat, niet ik.” De stakers vroegen zich af wat het normale leven zou brengen. Het leek alsof door de staking het leven opnieuw was begonnen. Ze hadden de slag gewonnen, nu de oorlog nog.
Toen het nieuws werd verteld aan Bud Simons, hoofd van de stakingscommissie in de Fisher No. 1-fabriek, zei hij dat de mannen er geen boodschap aan zouden hebben. Zij wilden weten wat er met de speed-ups zou gebeuren en of de bazen strenger zouden worden dan ooit. Men vroeg zich af of ze terug bij af zouden zijn. Deze voorgevoelens klopten. Het beleid van GM was erop gericht de vakbond in bedwang te houden, vooral met betrekking tot de productiesnelheid. De arbeiders wilden zekerheid met betrekking tot de productiesnelheid, maar volgens de op 12 maart getekende CAO had het management alle bevoegdheid hierover. Als arbeiders het hiermee niet eens waren, moest het plan worden heroverwogen en aangepast als het oneerlijk bleek te zijn. In plaats van één vakbondsafgevaardigde per 25 arbeiders ging de vakbond akkoord met vertegenwoordiging via commissies van niet meer dan negen man per fabriek. Zij zouden overleg plegen met het management. De vakbond ging akkoord om het orgaan te zijn voor arbeiders. Indien arbeiders problemen hadden met speed-ups of andere zaken, konden zij naar de vakbond komen. Er werd ook verklaard dat er geen vertragingen of stopzettingen van de productie zouden zijn totdat alle mogelijkheden waren benut om via de normale klachtenprocedure het probleem op te lossen, en in geen geval zonder goedkeuring van de internationale leiders van de vakbond.
Dergelijke overeenkomsten waren niet voldoende voor de arbeiders die net hun eigen macht hadden ontdekt. Zij veronderstelden een radicale verandering in de machtsstructuur bij GM en waren terughoudend om de discipline van het management te aanvaarden.
In de twee weken na Flint braken 87 sit-downs uit bij onder andere Packard, Goodyear, Goodrich en GE, waarna direct loonsverhogingen werden toegekend. Volgens Knudsen waren er 170 sit-downs tussen maart en juni 1937. Op 28 maart zaten bijvoorbeeld 200 vrouwen van de naaiafdeling van de Fisher No. 1-fabriek. Zij waren het niet eens met de wijze van betaling. Uit sympathie sloten nog 280 andere vrouwen van een andere naaiafdeling en 60 mannen van de transportafdeling zich aan. Daardoor moest de fabriek worden gesloten. Dit was niet volgens de nieuwe regels en vakbondsleiders kwamen snel naar de fabriek om het probleem op te lossen.
Het ledental van de UAW was vier dagen na het einde van de staking al toegenomen tot 200.000. Enkele maanden later waren er nog eens 100.000 leden bijgekomen. In modeljaar 1937 was er 75 miljoen dollar toegevoegd aan de salarissen van de autobouwers.
Twee weken later sloegen 935 mannen toe in een Chevrolet-fabriek. De onderdelen- en servicefabriek deed ook mee uit sympathie, waardoor Fisher No. 2 ook sloot. Uiteindelijk liepen alle arbeiders van andere afdelingen van het Chevrolet-complex naar buiten. Intussen sloten ook de Fisher-fabriek en de Yellow Truck and Coach-fabriek in Pontiac omdat arbeiders staakten vanwege het ontslag van collega’s. 30.000 man was inmiddels betrokken. Hieruit bleek dat arbeiders zonder de vakbonden in staat waren stakingen te starten tussen fabrieken onderling, maar ook tussen verschillende steden. Vakbondsleiders vertelden gouverneur Murphy dat zij verbijsterd waren door de sit-downs. Net zo belangrijk was dat arbeiders de productiesnelheid konden bepalen, ondanks het contract dat zei dat dit alleen door het management bepaald kon worden. Dit meldde The New York Times op 2 april. De productie van de Chevrolet-fabriek was gehalveerd tijdens de laatste weken door gezamenlijke acties van de vakbond en arbeiders aan de productielijn, die met tussenpauzes werd bediend.
Ondanks dat het de vakbond niet lukte om de productiviteit te beïnvloeden, zei een arbeider van de Fisher No. 1-fabriek dat de onmenselijk hoge productiesnelheden voorbij waren en dat men nu een stem had; dat men nu als mensen werd behandeld en niet als machines. De druk was verlaagd. Het bewijst duidelijk: “united we stand, divided or alone we fail.”
De leiding van de vakbond zag deze wilde stakingen als een serieuze bedreiging van de vakbond. De CIO ondernam stappen tegen hen:
-
Vertegenwoordigers van de UAW gingen ter plaatse om het probleem aan te pakken zodat de mannen weer gingen werken.
-
Er werd een bevel uitgevaardigd dat vertegenwoordigers die een stopzetting goedkeurden zonder toestemming zouden worden ontslagen en dat de lokale vakbond geen geld meer zou krijgen.
-
Vakbondsafgevaardigden werden “opgevoed” om het GM-contract na te leven en de achterban ervan te overtuigen dat staken niet nodig zou zijn.
-
In bepaalde gevallen was er een zuivering van heethoofden en onruststokers door ontslag, overplaatsing of degradatie.
Het CIO-contract was een adequaat middel tegen sit-downs. Het garandeerde dat er gedurende de contractsduur geen stakingen zouden zijn, gekoppeld aan boetes, straffen, ontslag en zwarte lijsten.
Sit-downs kwamen in 1937 477 keer voor, meer dan tien keer zoveel als in 1936. Daarnaast waren er vele niet-gedocumenteerde sit-downs. Het grootste aantal kwam van vrouwen in de textielindustrie. “Sitting down” had volgens een Detroit News-verslaggever honkbal vervangen als favoriete tijdsbesteding. De sit-downs hadden echter de grootste impact op de auto-industrie. De vakbond begon nieuwe onderhandelingen met Chrysler en wilde de GM-overeenkomst gebruiken. De kernvraag werd: “is de vakbond het enige overlegorgaan?” Chrysler antwoordde negatief. Binnen no time waren 50.000 arbeiders van de Chrysler-, Dodge-, Plymouth- en DeSoto-fabrieken aan het staken. Na tien stakingen op één dag gaf Chrysler loonsverhogingen aan alle afdelingen en beloofde een contract met de UAW op te stellen voor alle 75.000 arbeiders. Murphy waarschuwde dat er geweld gebruikt zou moeten worden om respect voor autoriteit terug te krijgen. Hij stelde een “law and order”-commissie in, maar de UAW weigerde deze uit te voeren.
Afdelingscommissies in de bezette fabrieken wilden de fabrieken niet verlaten zolang zij niet als enige onderhandelaars werden erkend. De CIO stemde echter in met evacuatie van de fabrieken. Veel stakers zagen dit als een vorm van verraad, maar verlieten toch de fabrieken.



Cadillac Square
Tegen 1 april waren er meer dan 120.000 autobouwers aan het staken, van Hudson tot GM. De politie kon de Chrysler-stakers niet aan en ging in de aanval bij kleinere stakingen.
De UAW riep op tot een massaal protest op Cadillac Square en dreigde 180.000 mensen uit de regio Detroit op te roepen, zonder de GM-stakers omdat deze net hun contract hadden getekend. Ook in andere steden werden succesvolle sit-downs gehouden in allerlei branches. De serveersters in drie De Met’s-theehuizen gingen naar huis met een 25% loonsverhoging.
Door deze enorme acties besloten veel werkgevers vrijwillig te onderhandelen met de vakbonden. Tegen de start van de Tweede Wereldoorlog waren de vakbonden aanwezig bij alle grote industriële bedrijven. De belangrijkste was US Steel. Hun bittere anti-vakbondshouding was omgedraaid en het CIO Steel Workers Organizing Committee werd erkend op 2 maart, zelfs zonder stakingen. Het was duidelijk dat het verstandiger was te onderhandelen met ervaren vakbondsmensen dan met onervaren mensen van de werkvloer. Het nieuwe contract kostte US Steel weinig. De loonsverhogingen werden doorberekend in de producten en de beperkingen in de uren moesten toch al worden ingevoerd als men nog wilde meedingen naar overheidscontracten. Het contract bevatte ook een passage dat het werk niet neergelegd mocht worden als er problemen waren. Mocht dat toch gebeuren, dan moest het besluit worden genomen door een onpartijdig persoon, aangewezen door het bedrijf en de vakbond.
Een klein staalbedrijf beschreef het als volgt:
“Het is een voordeel de vakbond toe te laten op de werkvloer. De arbeiders komen bij de vakbond met hun problemen en deze worden vaak opgelost tijdens een goed gesprek. Hierdoor wordt het management niet lastiggevallen met ieder probleem. Nadeel is wel dat veel van deze vakbondsmensen onervaren zijn en soms heel stoer naar het management gaan voor hele kleine zaken.”
Arbeiders hadden de sit-downs gebruikt om een tegenwicht te bieden tegen het management: meer controle over werksnelheid, werkverdeling en arbeidsomstandigheden. Zij zagen de vakbond als een manier om deze macht te garanderen. De nieuwe CIO-vakbonden presenteerden zich als oplossing voor de wensen van arbeiders, zoals elke politieke organisatie die leden wil winnen. Het doel van de campagnes was de “magische” vakbonds-erkenning—magisch omdat het voor iedereen iets anders kon betekenen.
Voor de arbeiders betekende het een einde aan speed-ups, kortere werktijden, hogere lonen, betere arbeidsomstandigheden, betaalde vakanties en senioriteit. De CIO stelde, in tegenstelling tot de meer cynische reputatie van de AFL, dat zij alle arbeiders gezamenlijk vertegenwoordigde en zou vechten tegen werkgevers. Dit beeld maakte de CIO tot de grote winnaar van de sit-downs, ondanks dat zij zich systematisch tegen de sit-downs had verzet. Men wilde uiteindelijk 5 miljoen arbeiders onderbrengen bij de vakbond, iets wat binnen vier jaar werd bereikt.
Ondertussen was de CIO in staat zichzelf aan het management te presenteren als een systeem voor het disciplineren van de beroepsbevolking, het beheren van ontevredenheid en de bescherming tegen sit-downs, “lie-downs” of andere vormen van stakingen. Dit kon worden aangetoond met voorbeelden uit de praktijk. Met medewerking van de overheid, die via de Wagner Act en het National Labor Relations Board een institutionele structuur voor collectieve onderhandelingen had gecreëerd, kon de CIO de sit-downbeweging kanaliseren, weg van de directe macht van de bedrijfsleiding en uiteindelijk zelfs die macht versterken.
Zwarte arbeiders
Bij de Flint-staking waren weinig zwarte arbeiders betrokken. Er waren slechts een paar honderd zwarte autobouwers. Zij werkten gescheiden van de blanke arbeiders en gebruikten een andere in- en uitgang. Zij demonstreerden buiten de fabriek en namen het op tegen de politie, de National Guard, burgerwachten en de Black Legion (de Noord-Amerikaanse afdeling van de Ku Klux Klan). Ook moesten zij omgaan met racistische blanke demonstranten. Roscoe Van Zandt was, voor zover bekend, de enige zwarte staker. Hij zat in Chevrolet No. 4. De eerste avond was hij op zichzelf, maar hij kreeg al snel het enige bed toegewezen omdat hij de oudste was. Toen men op 11 februari de fabrieken verliet, liep Van Zandt met de Amerikaanse vlag.
De 1939 Fisher Body Plant Riot in Cleveland
Na drie weken liep de spanning hoog op in Cleveland. De stad met de grootste autofabriek—de zeven verdiepingen tellende Fisher Body-fabriek uit 1921, die op dat moment tweedeurs Chevrolet-carrosserieën bouwde—werd geplaagd door stakingen sinds de UAW-CIO, concurrent van de AFL, een staking aankondigde bij een twaalftal GM-fabrieken in juli.
In de zomer van 1939 wilde de UAW-CIO een aanvullende overeenkomst met GM voor de arbeiders van de Tool and Die-afdelingen. GM wilde echter niet onderhandelen; zij beweerden niet te weten of de UAW-CIO of de AFL het wettelijk bindende contract met GM had. GM-directeur William Knudsen vertelde de krant dat als de staking voortgezet zou worden, de productie van de 1940-modellen zou vertragen.
GM stelde dat de fabriek tijdens de staking gewoon doordraaide, zij het op een lager pitje. De week ervoor was Bob Travis (die ook een grote rol speelde in de 1937 Flint sit-down) in Cleveland aangekomen om de staking te leiden en de fabriek te sluiten. Op maandagochtend 31 juli versperde een groep arbeiders van de White Motors-fabriek samen met een groep van Bender Body de ingang van de GM-fabriek. Niet-stakende arbeiders werd de weg versperd. Iedereen verwachtte problemen die ochtend. De stakers droegen papier-machéhelmen en de politie was paraat met 150 man te paard en uitgerust met traangas. De burgemeester was aanwezig samen met een waarnemer van de National Guard van Ohio en Cleveland Safety Director Eliot Ness. De problemen ontstonden direct om 6.00 uur toen een groep niet-stakers probeerde door de menigte te rijden (zo’n 5.000 à 6.000 man). De stakers dromden rond de auto’s, waarop de politie direct ingreep om ruimte te maken. De menigte reageerde door de auto’s en agenten te bekogelen met stenen. Dit was de aanleiding voor de gevechten van de komende uren, vaak voor de voeten van de burgemeester en Ness. De politie gebruikte traangas en waterkanonnen, terwijl de stakers auto’s omverwierpen en traangasgranaten teruggooiden. Op dat moment kwam er een auto met niet-stakers om de hoek. De stakers gingen er direct op af en gooiden een steen door de voorruit. Andere stenen verbrijzelden de zijruiten en de stakers trokken de inzittenden uit de auto, die met knuppels werden bewerkt en omvergeworpen. Eén van de inzittenden vluchtte en werd direct achtervolgd. Iemand stak een lucifer aan en zette de auto, die benzine lekte, in brand. Direct kwam de brandweer erbij om te blussen.

Roscoe van Zandt, links op de voorgrond


De politie had orders gekregen niet te schieten tenzij de stakers de fabriek zouden bestormen. Zij werden beschreven als “links en rechts slaand met hun knuppels”. Zij werden geholpen door de verkeerspolitie die uit het centrum was gehaald. Uiteindelijk dwongen zij de menigte naar Donovan’s Loop, een restaurant dat werd gebruikt door vakbondsleiders om de staking te coördineren. Halverwege de ochtend spraken George Matowitz, hoofd van de politie, en Bob Travis over een staakt-het-vuren. In de middag laaiden de gevechten toch weer op, waarna Bob Travis via een omroepinstallatie op het dak van het restaurant beloofde dat de volgende dag de groep twee keer zo groot zou zijn; daarna werd het rustig. 46 mensen raakten gewond en 13 werden gearresteerd.
Ness riep een verboden toegangszone uit rond de fabriek om samenscholing te voorkomen. Hij vertelde de stakers dat ze niet meer dan vijf man per poort mochten opstellen. Hij beschreef het later als een soort “staat van beleg”. Hij maakte een uitzondering voor Donovan’s Loop: daar mochten niet meer dan tien man tegelijk zijn. De stakers verplaatsten zich naar de huizen van niet-stakers. Ness riep daarom een verbod uit op protesteren rondom woningen in heel Cleveland. 450 niet-stakers waren toch in de fabriek gekomen; 200 van hen bleven ook gedurende de nacht, terwijl de menigte—die overdag opliep tot 8.000 man—zich langzaam verspreidde. Ness hield de politie paraat voor het geval de beloofde 20.000 stakers zouden komen opdagen, maar dit gebeurde niet.
Er waren in de dagen daarna nog wel wat relletjes in Detroit, maar in Cleveland bleef het rustig. De staking duurde inmiddels vier weken en vanwege de start van de productie van de jaren 40-modellen gaf GM toe. Op vrijdag 4 augustus stelde GM een contract op met de UAW-CIO, waarin voor de arbeiders van de Tool and Die-afdelingen uitbetaling van overuren werd gegarandeerd. Hierdoor eindigde de staking van 7.000 arbeiders in twaalf fabrieken. Het gaf de UAW-CIO exclusieve rechten voor de samenwerking met GM.
In het land werden echter vragen gesteld over de tactiek van de UAW-CIO. Men dacht dat, als de CIO zelf tijd en plaats had mogen bepalen voor de staking, zij eerst gewacht zouden hebben op een zet in de staalindustrie of bij de rubber- of kolenindustrie. Het was dan ook een zet van de arbeiders zelf. Het succes hiervan zat hem in het feit dat iedere arbeider met zijn eigen taak een deel van het tandwielstelsel was: haal een paar delen van het tandwiel weg en alles ligt stil.
Dit hele gebeuren ging dieper dan men besefte. Achter GM stond de staalindustrie. Achter de staalindustrie zat ook de familie Du Pont. Het was een gevecht tussen de arbeidersklasse en het Amerikaanse kapitalisme. Achter GM zaten ook de fascistische Liberty League en de Black Legion. Het automonopolie vertegenwoordigde een financiële macht die was verstrengeld met kapitaal over de hele wereld. Veel bestaande wetten om de arbeiders in toom te houden werden gebroken.
Ness behield zijn functie tot en met 1942 en keerde daarna terug naar Ohio, waar hij in 1947 probeerde burgemeester van Cleveland te worden. Leden van UAW Local 45 staakten opnieuw in 1946 voor een loonsverhoging van 30%. Deze eisen werden gedeeltelijk ingewilligd. Local 45 werd opgeheven toen GM de fabriek sloot in 1982.
De toekomst van de AFL en de CIO
De American Federation of Labor (AFL) was een van de eerste federaties van vakbonden in de Verenigde Staten. Het werd opgericht in Columbus, Ohio, in mei 1886 door een alliantie van ambachtelijke vakbonden die ontevreden waren over de Knights of Labor, een nationale arbeidsorganisatie. Samuel Gompers van de Cigar Makers International Union werd verkozen tot president van de federatie bij de oprichtingsbijeenkomst en werd elk jaar herkozen, op één jaar na, tot zijn dood in 1924. De AFL was de grootste vakbondsorganisatie in de Verenigde Staten tijdens de eerste helft van de 20e eeuw, ook na de oprichting in 1935 van het Congress of Industrial Organizations (CIO) door vakbonden die uit de AFL waren gezet. Hoewel de federatie in de eerste vijftig jaar van haar bestaan werd gedomineerd door ambachtelijke vakbonden, gingen veel leden later over op industriële vakbondsstructuren om aan de eisen van de CIO in de jaren 40 te voldoen.
In 1955 fuseerde de AFL met zijn oude rivaal, het Congress of Industrial Organizations. De UAW richtte met de Teamsters in 1968 de ALA op, die in 1972 werd opgeheven. De UAW sloot zich in 1981 aan bij de AFL-CIO; de Teamsters deden dat in 1987. De AFL-CIO is een federatie die tot op de dag van vandaag actief is. Samen met zijn voorgangers vormt zij de langst bestaande en meest invloedrijke arbeidsfederatie in de Verenigde Staten.






