Ford Massacre, Detroit's Darkest Day
In the late 1930s, it was the sit down strikes at GM that caused a turning point for the unions. Many bloody incidents preceded it. The economic growth had come to an abrupt end in the late 1920s when the stock market crash of 1929 caused many layoffs.
Beurscrash en de strijd van de arbeiders
Stel je voor dat je in Detroit bent in de jaren ’20. De auto-industrie bloeit als nooit tevoren. Ford, GM en Chrysler zijn inmiddels uitgegroeid tot de drie grote autogiganten van de wereld. Het is een glorieuze tijd en iedereen in Amerika, en dus ook in Detroit, lijkt ervan te profiteren. De auto wordt bereikbaar voor de massa en werkloosheid lijkt nauwelijks te bestaan.
De Grote Drie maken enorme winsten, vooral Ford, dat dankzij de Ford Model T het grootste autobedrijf van Noord-Amerika is geworden. Ford begint echter problemen te krijgen door dalende verkoopcijfers van de inmiddels verouderde Model T. Maar dat zijn niet de grootste problemen.
In 1929 stort de aandelenmarkt in en uiteindelijk crasht de beurs op 29 oktober. De Wall Street Crash of 1929 markeert het begin van de Grote Depressie. Door massale werkloosheid en sterk dalende koopkracht en enorm gestegen brandstofprijzen wil bijna niemand nog een nieuwe auto kopen. Dit leidt tot enorme aantallen ontslagen. In 1931 produceert de industrie nog maar 1.332.000 auto’s, slechts een kwart van de productie van twee jaar eerder (5.337.000).
Het levensonderhoud wordt steeds duurder en steeds minder mensen verdienen nog geld. Mensen rijden rond om eten uit te delen omdat anderen letterlijk op straat verhongeren. Detroits belofte van welvaart is verdwenen.
Twee jaar later is de crisis verder verhard. Dagelijks sterven mensen door honger. Er bestaat nog geen WW-uitkering. Henry Ford, op dat moment de rijkste man ter wereld, zegt dat het de eigen schuld van zijn werknemers is omdat ze niet hard genoeg werken. Twee derde van zijn werknemers is inmiddels ontslagen. En dat terwijl velen juist keihard werkten om hun gezin te onderhouden. Doordat kleine banken failliet gaan, verliezen velen ook hun spaargeld.
Het netwerk van werklozen in Detroit groeit uit tot een van de grootste en sterkste van de wereld. Mensen helpen elkaar waar ze kunnen. Uiteindelijk wordt besloten te demonstreren bij de Ford-fabriek om uitkeringen en werknemersrechten af te dwingen.



The Hunger March
Bijeengeroepen door Young Communist League en de Detroit Unemployed Council demonstreert men voor uiteenlopende eisen: banen voor alle ontslagen Ford-werknemers, onmiddellijke betaling van 50% van het loon, een 7-urige werkdag zonder salarisverlaging, minder speed-ups (versnelling van de productielijn), twee pauzes van een kwartier, geen discriminatie van Afro-Amerikanen, uitkeringen, medische hulp in het Ford-ziekenhuis voor werknemers en ex-werknemers en hun families, 5 ton kolen per winter, opheffing van Fords gehate Service Department — het privéleger van spionnen en knokploegen onder leiding van Harry Bennett — geen huisuitzettingen van Ford-werknemers, directe betaling van 50 dollar om de winter door te komen, volledige salarissen voor parttimewerknemers, afschaffing van het corrupte aannamebeleid en het recht om zich te organiseren.
De demonstratie start in Detroit. Er nemen tussen de 3.000 en 5.000 mensen deel. Het is de koudste dag van die winter. Aanvankelijk verloopt alles ordelijk, totdat de burgemeester van Dearborn, Clyde Ford — een neef van Henry Ford — de oproerpolitie en militaire politie inzet.
De demonstranten worden uiteengedreven met traangas, maar bieden weerstand door stokken en stenen te gooien. Een agent schiet een demonstrant neer. De menigte valt uiteen, maar verzamelt zich opnieuw bij de Ford-fabriek. Brandweerlieden spuiten ijskoud water op de demonstranten om hen tegen te houden.
Alles lijkt nog enigszins onder controle totdat men de brug bij Fort Street bereikt, de toegang tot de fabriek. Terwijl Henry Ford zich in de fabriek bevindt, geeft hij zijn Service Men opdracht om op de menigte te schieten. Zij worden ondersteund door politie en brandweer, ingezet door Clyde Ford.
Er vallen drie doden en 22 gewonden. De leiders besluiten de demonstratie te beëindigen. Op dat moment rijdt Harry Bennett in een auto naar de menigte, opent een raam en schiet op de demonstranten. Zijn auto wordt direct bekogeld met stenen, waarbij Bennett gewond raakt. Vervolgens openen de politie van Dearborn en Fords Service Men met machinegeweren het vuur op de menigte, waardoor een vierde dode valt.

The Hunger Demonstration in Detroit March 7, 1932

Important news about the Lingbergh baby but at the same time tragic news at Ford


De nasleep
De gewonden worden gearresteerd en velen van hen worden vastgebonden aan hun ziekenhuisbed. Geen enkele wetsdienaar of Service Man wordt gearresteerd, hoewel rapporten aangeven dat zij als eersten schoten. Kranten publiceren de volgende dag onjuiste berichten, die pas dagen later deels worden rechtgezet.
Honderden arbeiders werden ontslagen vanwege hun deelname — of vermeende deelname — aan de mars. De georganiseerde arbeiders werden in de mainstreampers neergezet als communisten en publiekelijk gedemoniseerd.
Op de begrafenis van een van de doden vindt een massale rouwstoet plaats. Tussen de 25.000 en 80.000 mensen — het exacte aantal is onbekend — nemen deel aan de tocht naar de begraafplaats. De stoet trekt via Woodward Avenue naar de Woodmere Cemetery. Tijdens de begrafenis wordt het socialistische strijdlied “L’Internationale” gezongen. De tocht draagt zelfs de slogan: “Smash the Ford-Murphy terror.”
Frank Murphy was op dat moment burgemeester van Detroit. Veel mensen vermoeden dat Murphy betrokken was bij het bloedbad. In werkelijkheid keurde Murphy het geweld juist af. Hij vond het vastbinden van gewonden onacceptabel, beschouwde Bennett als een bruut en zag Henry Ford als een meedogenloze industrieel.
Enkele maanden later overlijdt de Afro-Amerikaanse demonstrant Curtis Williams (1895) alsnog aan zijn verwondingen. Door segregatie mocht hij niet op dezelfde begraafplaats worden begraven als zijn witte kameraden. Daarop huurt men een vliegtuig en strooit zijn as uit boven de begraafplaats en, naar verluidt, ook boven de River Rouge Complex-fabriek.
Het onderzoek naar het bloedbad wordt door velen gezien als bevooroordeeld en incompetent.
Overwinning van de vakbonden
Op 1 april 1941 leggen Ford-werknemers het werk neer uit protest tegen het ontslag van acht vakbondsleden. De staking leidt ertoe dat de River Rouge-fabriek tijdelijk wordt stilgelegd.
Op 11 april 1941, negen jaar later, tekent Henry Ford uiteindelijk een overeenkomst met de United Auto Workers na een tiendaagse sit-downstaking waaraan 40.000 Ford-werknemers deelnemen, waardoor de fabriek zelfs tijdelijk moest sluiten. Daarmee capituleert de laatste grote autofabrikant tegenover de vakbond.
De Wagner Act vormt in deze periode al een belangrijk juridisch keerpunt, omdat het arbeiders het recht op collectieve onderhandeling garandeert en de vakbonden structureel versterkt.
Decennia later, in 1992, kopen leden van de UAW vijf grafstenen, waaronder één voor de man wiens as was uitgestrooid. Op de stenen staat:
“Hij gaf zijn leven voor de vakbond.”



