
GM's Motorama autoshows zijn een grote hit
Voordat Harley Earl de Motorama autoshow’s ter promotie van nieuwe modellen en ideeën introduceerde, waren hotels vaak gastheer voor lokale tentoonstellingen. Dit waren de enige plekken waar mensen een aantal merken met elkaar konden vergelijken. GM startte eerst met een rondtrekkende tentoonstelling, de Parade of Progress. Hier konden mensen kennismaken met nieuwe technieken. In de jaren 50 begon GM met de Motorama autoshow’s, de eerste autoshow’s zoals wij die nu nog kennen.
De Tweede Wereldoorlog zorgde jarenlang voor een slapende auto-industrie, grotendeels door de focus op de productie van oorlogsmaterieel. Na afloop van de oorlog brak een nieuwe tijd aan, een tijd met veel optimisme. Men leefde niet meer van dag tot dag maar keek weer vooruit naar de toekomst. Deze houding had invloed op alle aspecten van het leven. In 1949 hield GM de eerste van acht GM Motorama-shows. Door deze shows werd de auto-enthousiasteling enthousiast gemaakt. De shows toonden futuristische auto’s zoals men die nog nooit gezien had en die zelfs nu nog futuristisch zijn.
De GM Motorama-shows werden opgezet om niet alleen de producten van Cadillac, Buick, Oldsmobile, Pontiac, Chevrolet en GMC te laten zien, maar ook onderdelen en producten van andere dan de automotive divisies. Het belangrijkste onderdeel waren de Dream Cars. Het was een manier voor Earl om nieuwe dingen te laten zien die in de nabije toekomst in normale auto’s zouden kunnen zitten. Hij wist dat kopers niet te veel verandering in een te korte termijn wilden; met de Dream Cars was het juist mogelijk dit wel te tonen, zodat men veel van de nieuwe ideeën wenselijk ging vinden als ze een paar jaar later een nieuwe auto zouden kopen. GM’s reizende autocircus legde de focus op zijn producten met interactieve tentoonstellingen, orkesten en dansgroepen te midden van uitgebreide decors. Het was een ongekend spektakel.
De wortels van de Motorama-shows gaan terug tot 1928, toen GM een show hostte in het Astor Hotel in New York. Dit werd in 1929 herhaald. Vanaf 1930 werden er zakenlunches georganiseerd in het Waldorf Astoria. De hiervoor uitgenodigden konden hier de auto’s bekijken tussen Perzische tapijten en geschilderde landschappen. Deze shows liepen door tot de Tweede Wereldoorlog uitbrak. In 1939 en 1940 had GM displays op de Wereldtentoonstelling in New York onder de naam Futurama. Deze shows gaven GM ervaring met decors en displays om hun producten aan de man te brengen.
In 1933 ontwierp Earl zijn door velen als eerste concept car erkende Cadillac Aerodynamic Coupe. De auto werd tentoongesteld op de Wereldtentoonstelling van 1933. De auto ging later beperkt in productie.
Hierna kwam de eerste echte concept car: de Buick Y-Job, ontworpen in opdracht van Buick-baas Harlow Curtice. Hij gaf Earl de opdracht een auto te ontwerpen die hij zelf zou kopen. Earl maakte een lange, lage, brede auto met kleine wielen en een prototype van de Dynaflow-transmissie.
Toen in 1946 de Y-Job ouder werd, kwamen GM’s hoofdingenieur Charles Chayne, Buick’s hoofddirectie Harlow Curtice en Earl samen om de opvolger te bespreken. Zij waren het erover eens dat de Y-Job na bijna 10 jaar nog vers leek; zijn opvolger moest dat na 15 jaar ook nog zijn. Uiteindelijk waren ze het erover eens dat hun wensen niet in één auto samen te vatten waren. Er werd besloten twee auto’s te ontwerpen: de XP-8 (LeSabre) en XP-9 (XP-300). Op 19 mei 1947 werden beide projecten goedgekeurd. De XP-8 werd gedeeltelijk ontworpen door Chevrolet en later voorzien van Buick-letters op de voorzijde. Uiteindelijk werd het een GM-auto, niet specifiek voor een divisie ontworpen. De XP-9 werd wel als Buick ontworpen door Ned Nickels (begonnen bij GM in ’41). Charles Chayne had echter de leiding. De LeSabre werd ontworpen door de nieuw opgerichte Special Automobile Design Studio, waar Ed Glowacke hoofd van werd. Ed racete met auto’s en boten en vloog ook nog. Ed’s design werd hierdoor beïnvloed, net als Earl’s door de P-38 van Lockheed. Eén van de meest opvallende designelementen was een Earl-uitvinding: de getinte panoramische voorruit. Earl wilde al in 1918 een panoramische voorruit, maar men kon het glas toen nog niet buigen. Na uitgebreid onderzoek in de jaren 1946–1950 kreeg Earl eindelijk zijn panoramische voorruit.
In 1950 en 1951 werden de auto’s al getoond: de LeSabre in Life Magazine en de XP-300 tijdens de Chicago Auto Show. Daarna ging de LeSabre naar de Salon van Parijs en in 1953 gingen beide auto’s mee met de Motorama-tour. Uiteindelijk zag Earl de LeSabre als Y-Job 2 en reed er 45.000 miles mee. De XP-300 had ook 10.400 miles op de teller. Het tijdperk van de Dream Cars was begonnen.
De term Motorama werd al eerder gebruikt voor autoshows met customs en sportauto’s voordat GM deze gebruikte. GM was zelfs deelnemer aan de Los Angeles Motorama in 1952, waar ook de XP-300 werd getoond. GM gebruikte de naam Motorama al in 1947 voor de Chicago Museum of Science and Industry-tentoonstelling. GM gebruikte ook de naam Wonderama in Dayton en Powerama in Chicago in het midden van de jaren 50. De eerste grote GM-show was “Transportation Unlimited” in 1949 in New York. In het Waldorf introduceerde GM een tweedeurs Buick Riviera, tweedeurs hardtop-prototypes van de Bel Air, Catalina en Coupe de Ville. Daarnaast drie nieuwe Cadillacs: de El Rancho, Caribbean en Embassy.
Voor de 1950 “Mid-Century Motorama” werden verschillende conceptcars getoond, onder andere de Cadillac Debutante, Oldsmobile Golden Jubilee en Westward Ho, Pontiac Magnificent en Fleur de Lis en de Chevrolet Royal Canadian. De laatste vijf gingen ook mee naar Canada.
In 1951 en 1952 nam GM geen deel aan grote shows vanwege hun betrokkenheid bij de Koreaanse Oorlog. Wel waren er modellen om te tonen, zoals de XP-300 en LeSabre, maar ook de 1952 Buick Skylark en Cadillac Eldorado en Townsman. Deze auto’s werden ook getoond op kleinere shows.
Na een daling in de verkopen besloot GM een grote landelijke show te organiseren: de 1953 GM Motorama. De tour startte in het Waldorf Astoria in New York, daarna Miami, Los Angeles, San Francisco, Dallas en Kansas City. Boston werd later toegevoegd. De 1953-tour trok 1,5 miljoen bezoekers. Kosten noch moeite werden gespaard; het spektakel kostte $5 miljoen, exclusief de kosten van de Dream Cars zoals de Wildcat en LeMans. Er werd geen entree gevraagd, wat de kosten niet compenseerde, zeker niet met 125 trucks voor transport. De locatie in Miami was driemaal zo groot als in New York, waardoor een team van 725 man extra nodig was. Alleen de shows (Motor-Rhythms and Fashion Firsts) vereisten al 60 extra medewerkers. GM kon dit dragen met 143 fabrieken in 18 landen. Het bedrijf had in 1954 een marktaandeel van 49,9%. De overheid overwoog zelfs het bedrijf op te delen.
GM haalde extra rendement uit de conceptcars door ze ook op andere shows, zoals de Chicago Auto Show, en bij dealers te tonen.
De Broadway-achtige shows waren de beste “verkoper” van GM. Een nadeel was dat concurrenten konden zien waar de styling van GM naartoe ging. GM gaf aan dat 1953 een goed jaar zou worden gezien het grote aantal bezoekers. Ook in latere jaren bleven de Motorama-shows de verkoop stimuleren. Halverwege de eerste show in het Waldorf was al voor $600.000 aan orders genoteerd. In totaal bezochten 2,5 miljoen mensen de shows in 1956. In het Waldorf werd al voor $1,3 miljoen aan orders genoteerd. Ondanks het succes was 1956 de laatste show van dit formaat. De enige Dream Cars in 1959 en 1961 waren de Firebird III en de Cadillac Cyclone. In 1957 was er nog de Cadillac Director show car. In totaal bezochten 10,5 miljoen mensen de shows tussen 1949 en 1961. Door hoge kosten en de komst van televisie stopte GM met de shows. Van 1955 tot en met 1961 organiseerde GM Canada nog wel shows in Toronto en Montreal. Het succes ging niet aan Ford voorbij; er werd voorgesteld vergelijkbare showcars te maken, maar dit leidde tot de geannuleerde Stylerama-shows. De hoge kosten van het Edsel-debacle en de showplannen zorgden ervoor dat Ford afzag van uitvoering. Ook werden enkele showcars als te futuristisch beschouwd, zoals de nucleair aangedreven Nucleon.
De Futurliner- en Streamliner-bussen van GM worden vaak geassocieerd met deze Motorama-shows, maar hoorden bij een ander programma: de Parade of Progress, die jaarlijks door het land toerde van 1936 tot 1941 en opnieuw vanaf 1953.
Klik HIER voor de geschiedenis van dit stuk historie.
Transport van alle Motorama spullen [Foto-set]








1927 Boston Auto Show

1938 Buick Y-Job

1951 GM LeSabre, klik op de foto voor de folder
Earl met de GM Firebird straalaandrijving modellen
1949 Transportation Unlimited [Foto-set]




















1950 Mid-century Motorama [Foto-set]






























1951 Buick XP-300 Dream Car [Brochure]






















1951 Models [Foto-Set]














1953 Motorama [Foto-Set]












































1954 Motorama [Foto-Set]
























































































1955 Motorama [Foto-Set]




















































































































































































1956 Motorama [Foto-Set]


































































































































































1956 The highway of tomorrow
1959 Motorama [Foto-Set]
































1961 Motorama [Foto-Set]






1957 Cadillac Director Concept [Foto-set]




















1958 Cadillac Eldorado Biarritz Raindrop car
Er zijn 5 prototypes gebouwd met een regensensor, allemaal op basis van een 1958 Eldorado Biarritz. Eén ervan werd door Harley Earl voorzien van de vleugels zoals die later op de modellen van ’59 zouden verschijnen. De andere 4 bleven origineel, op de regensensor na. De regensensor kwam voor het eerst voor op de 1951 Le Sabre. De regensensor (humidity control) zelf zat op het stuk carrosserie tussen de parade boot en de achterklep. De techniek zorgde ervoor dat het dak automatisch sloot wanneer er enkele regendruppels op de sensor vielen. Om het dak automatisch te kunnen sluiten bestond de parade boot uit 3 delen. Het middenstuk schoof naar achteren en de zijstukken klapten omhoog. Het dak sloot zichzelf vervolgens aan op de voorruit en als laatste sloten de ruiten automatisch.
Er zijn nog twee modellen over: één blauwe en één rode die origineel zilver was. De rode is de auto die in bezit is geweest van Harley. De achterzijde van de auto is compleet van polyester, wat bij de restauratie in de jaren ’90 werd vastgesteld. Ook werd door Harley veel chroom verwijderd om het model sportiever te laten lijken. Het model werd in 2007 verkocht via RM Auctions voor $330.000 en in mei 2015 opnieuw aangeboden.
De auto zou volgens goede GM-traditie vernietigd moeten zijn. In 2016 kwam echter informatie naar buiten waaruit bleek dat de auto niet vernietigd was.
In 1983 kochten Robin en Mike Barry het stuk grond naast hun huis in Medway, Ohio. Het terrein was overwoekerd en al lang verlaten. Ze wilden het huis slopen en het terrein opruimen om het als bouwgrond te verkopen. Zelfs na het beoordelen van de klassiekers die er stonden, wisten ze dat er een auto van Harley Earl aanwezig was. Het opsporen van de eigenaar van het terrein was een uitdaging. Na een echtscheiding twee decennia eerder bleef de ex-man rommel op het terrein plaatsen, zowel binnen als buiten. De vrouw wilde graag zaken doen met Robin en Mike. Nadat ze de sleutels kregen, waren zij de eersten die er na 13 jaar weer binnenkwamen. Het huis lag vol met magazines, auto-onderdelen en rommel.
Ze schakelden een autokenner in en al snel werd het huis bekend als “Cadillac Ranch”. Buiten, onder een carport, stond een vreemde Eldorado Biarritz met een polyester achterkant en vleugels die niet van ’58 of ’59 waren. De voorzijde was niet meer compleet en de auto werd aan de straat gezet samen met de andere klassiekers, waaronder 4 andere Cadillac’s, een ’69 Firebird, een ’33 Hudson Terraplane en een Snap-on truck. De auto’s trokken veel aandacht, waaronder die van Jim Walker, eigenaar van Walker Brothers Oldsmobile en Cadillac in Dayton, Ohio. Hij herkende mogelijk de auto en deed een bod op de 5 Cadillacs. De familie Barry was tevreden, omdat dit de renovatie van het huis bekostigde. Door de verkoop van alle auto’s, onderdelen en magazines werd genoeg opgehaald om het huis te renoveren. In 2005 overleed Mike.
Jim Walker heeft de auto deels gerestaureerd, waarna deze is overgegaan naar de Wiseman Collection, waar Bill Wedge de restauratie net op tijd afrondde voor de cover van de maart 1998-editie van Cars & Parts. Daar bleef de auto tot hij in 2007 werd geveild en in handen kwam van Paul en Chris Andrews. Zij verkochten hem in 2015 via een veiling. De schatting lag tussen $400.000 en $600.000, maar hij werd verkocht voor $324.500.
De blauwe werd gebruikt voor allerlei shows, waaronder de Michigan State Fair. Daar zag de Canadese Cadillac-dealer Gerald Beaudoin uit Windsor de auto. Zoals vaak gebeurde, werd ook deze auto door GM gesloopt. Beaudoin bezocht in 1962 een sloop in de buurt van het Michigan State Fairground. Hij vond daar een 1958-motor met airconditioning en vermoedde dat dit de motor van de showauto was die hij vier jaar eerder had gezien. In omliggende junkyards vond hij de overige delen van de auto. Hij kocht alles en nam het mee naar Canada.
Binnen twee jaar restaureerde hij de auto. GM kreeg hier lucht van en wilde de auto terug. De douane en zelfs de Mounties raakten erbij betrokken, maar zonder resultaat. Na 20 jaar verkocht hij de auto aan een andere Canadees, die hem na 20 jaar opnieuw verkocht aan de eigenaar die hem in 2010 op een veiling aanbood. De auto zou slechts 8.700 miles hebben gereden. De verkoop werd ondersteund door foto’s van voor de restauratie, build sheets en R&D-tags. Deze auto werd in 2010 via RM Auctions verkocht voor $220.000.
[Foto-set]


































Extra info over de Cadillac Le Mans uit 1953

Na de introductie van de Le Mans konden onder andere journalisten van Motor Trend een testrit maken op de GM Proving Grounds. Zij waren zeker te spreken over de prestaties en de wegligging, maar vonden de auto te zwaar en te sponzig om ermee te racen. Cadillac noemde het zelf een “luxury sports car”.
George Barris customizede #1 voor zijn klant Harry Karl (schoenenmagnaat). Hij had de auto gekocht van Cadillac-dealer Clarence Dixon, die hem rechtstreeks van GM kocht. Karl liet de auto door Barris aanpassen voor zijn aanstaande vrouw, actrice Marie “The Body” McDonald. Deze auto is verloren gegaan bij een brand in Pleasanton, Californië, in mei 1985. De auto was toen inmiddels alweer verhandeld en in handen van John Crowell. John had meerdere exotische en zeldzame auto’s. Na de brand zijn de overblijfselen verkocht door de verzekeraar. De motor en enkele onderdelen bestaan nog. Cadillac-fan Charles Barnette heeft onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de Le Mans-modellen en zou enkele onderdelen van deze auto in bezit hebben gekregen via Fred Miller, de persoon die de auto aan John Crowell verkocht. Deze Le Mans was oorspronkelijk gebouwd voor Cadillac’s eigen ontwikkelingsafdeling en was een Motorama-auto.
De zwarte Le Mans op de foto is #2 van de vier gebouwde exemplaren. Deze was een tijd in bezit van Harley Earl en werd daarna doorverkocht aan GM voor $1. Waarschijnlijk is hij op zijn verzoek zwart gespoten en voorzien van gele bekleding. #2 is voor het laatst gezien bij Greenlease Moore Cadillac-Chevrolet in Oklahoma City in november 1953. Moore werd later dood gevonden in de badkamer van zijn dealerschap. Hij overleed door een schot van zijn eigen shotgun; of het om een ongeluk of zelfmoord ging is niet bekend. De auto is daarna nooit meer teruggevonden.
De auto werd in 1955 verkocht aan Floyd Akers, een Cadillac-dealer in de omgeving van Washington D.C. Akers verkocht Cadillacs in heel Washington D.C., waaronder via Suburban Cadillac-Oldsmobile in Bethesda, Maryland, later Jim Coleman Cadillac.
Volgens enkele CLC-leden zou de auto in het bezit zijn van Jim Coleman en ooit in de showroom zijn gezien.
#3 is ook verkocht aan Floyd Akers en is de enige die nog in redelijk originele staat verkeert. Ook deze heeft bij Coleman in de showroom gestaan; daarvan bestaat een foto. De auto ging in 1977 mee met de verkoop van Akers’ Suburban Cadillac, waarna het Coleman Cadillac werd. Rond 1989 werd de auto gekocht door een man in Washington, die ermee akkoord ging om hem samen met #4 aan het publiek te tonen. Toen de auto in 1954 op een beurs verscheen, was hij niet meer ijsblauw metallic maar Apollo Gold. Nadat de auto bij verschillende dealers en shows had gestaan, werd hij in 1955 verkocht aan Akers. Zijn dochter heeft er een tijd mee gereden nadat Derham uit Rosemont de auto rijklaar had gemaakt. Er werden onder andere echte meters ingebouwd. Rond deze tijd is de auto ook wit gespoten.
#4 is gebouwd voor de directeur van Fisher Body, J.E. Goodman. Deze had een hardtop. De auto is in 1959 aangepast; daarbij is waarschijnlijk de hardtop verloren gegaan. De auto kreeg toen dubbele koplampen en de aandrijflijn van de 1959 Cadillac. Deze auto is ook te zien in de film over Buddy Holly en behoorde toen tot de GM Heritage Collection. In 1997 werd de auto te koop aangeboden nadat hij tot in de jaren 90 in bezit was gebleven van de zoon van Goodman. De vraagprijs was toen $375.000. Hoe en wanneer hij weer bij GM terecht is gekomen is niet zeker, maar in 2002 stond de auto op het Pebble Beach Concours d’Elegance, waar werd vermeld dat de auto werd getoond door GM Detroit.



Warhoops Used Auto & Truck Parts en de geredde droomauto’s
Hoe vier GM Motorama-conceptcars aan de shredder ontsnapten en uitgroeiden tot cultureel erfgoed.
Normaal gesproken haalt de verkoop van een autosloperij zelden het nationale nieuws. Sloopbedrijven vervullen meestal een bescheiden, lokale rol in de levenscyclus van auto’s. Maar Warhoops Auto and Truck Parts, gelegen in Sterling Heights, Michigan, vormt daarop een opmerkelijke uitzondering. Deze ogenschijnlijk doorsnee autosloperij groeide uit tot een legendarische plek in de autogeschiedenis, omdat hier vier iconische General Motors Motorama-conceptcars decennialang aan vernietiging wisten te ontsnappen.
Een sloop met een strategische ligging
Warhoops werd midden jaren vijftig opgericht door Harry Warholak Sr., een veteraan uit de Tweede Wereldoorlog die als vliegtuigmonteur aan B-17-bommenwerpers werkte en daarvoor een Bronze Star ontving. De bijnaam “Warhoops”, gebaseerd op zijn Poolse achternaam, werd uiteindelijk de officiële naam van zijn bedrijf.
De sloop lag op ruim 15 hectare industrieterrein aan 18½ Mile Road, op slechts enkele kilometers van het General Motors Technical Center in Warren. Die nabijheid bleek cruciaal. Vanaf de jaren vijftig gebruikte GM Warhoops regelmatig als bestemming voor afgeschreven bedrijfsauto’s, prototypes en showwagens. Voor GM was het praktisch, voor Warhoops werd het onbedoeld historisch.
Motorama: dromen op wielen
In de jaren veertig en vijftig organiseerde General Motors de legendarische Motorama-shows: reizende spektakels waarin futuristische droomauto’s werden gepresenteerd aan het publiek. Onder leiding van topontwerper Harley Earl fungeerden deze auto’s als rijdende visies op de toekomst. De meeste waren nooit bedoeld voor productie en vaak gebouwd van hout, aluminium en glasvezel, soms zelfs zonder motor of volledig chassis.
Na hun showleven werden Motorama-auto’s doorgaans vernietigd. GM wilde voorkomen dat experimentele of onveilige voertuigen in particuliere handen terechtkwamen. In 1958, tijdens een economische recessie en kort na het vertrek van Harley Earl, besloot GM een groot aantal van deze conceptcars af te voeren.
Vier auto’s die “te ver” kwamen
Waarom precies Warhoops werd gekozen als bestemming voor een deel van deze droomauto’s is nooit volledig gedocumenteerd. Waarschijnlijk speelde de nabijheid een rol. Wat wel vaststaat: GM bood Warholak Sr. twee opties aan — zelf met een takelwagen alle auto’s ophalen, of GM de voertuigen laten afleveren. Om kosten te besparen koos hij voor het laatste.
Die keuze bleek beslissend. Nadat vier conceptcars bij Warhoops waren afgeleverd, trok iemand bij GM aan de noodrem. De rest van de geplande zendingen werd geannuleerd. Volgens zoon Harry Warholak Jr. hadden het er theoretisch 35 kunnen zijn, als zijn vader bereid was geweest de takelwagen te betalen.
De vier auto’s die Warhoops wel bereikten waren:
-
1955 LaSalle II Roadster
-
1955 LaSalle II Sedan
-
1955 Chevrolet Biscayne
-
1956 Cadillac Eldorado Brougham Town Car
Formeel waren deze auto’s bestemd voor sloop. In de praktijk gebeurde dat slechts gedeeltelijk.
Twijfel, uitstel en vergetelheid
Harry Warholak Sr. kon het niet over zijn hart verkrijgen om de auto’s volledig te vernietigen. Er werd wel schade aangebracht — deuren werden verwijderd, een carrosserie werd doormidden gezaagd — zodat ze op papier als “gesloopt” golden. Daarna bleven ze jarenlang buiten staan.
De auto’s werden een lokale legende. GM-medewerkers, ontwerpers en ingenieurs wisten ervan. Grote namen uit de industrie bezochten de sloop, waaronder Ed Cole en Zora Arkus-Duntov. Toch bleef officiële documentatie bij GM uit. Dertig jaar lang lagen de restanten van de droomauto’s blootgesteld aan weer en wind, verworden tot stille getuigen uit een ambitieus tijdperk.
Joe Bortz: de redder
In 1988 kwam de doorbraak. Conceptcar-verzamelaar Joe Bortz hoorde via een artikel over de “urban legend” van Motorama-auto’s in een sloop buiten Detroit. Bortz belde Warhoops. Tot zijn verbazing bleken de auto’s er nog te zijn.
Na overleg met GM — dat inmiddels geen aanspraak meer maakte op de voertuigen — kocht Bortz alle vier de auto’s. Ze verkeerden in erbarmelijke staat: houtrot, ontbrekende onderdelen, geen aandrijflijnen en geen echte dashboards. Toch begon hij aan een langdurig en kostbaar restauratieproces.
De LaSalle II Roadster en de Chevrolet Biscayne werden volledig gerestaureerd en verschenen later op concoursen zoals Pebble Beach en Amelia Island. De Cadillac Eldorado Brougham Town Car werd verkocht. De LaSalle II Sedan bleef grotendeels onaangeroerd als tastbaar bewijs van de slooptoestand.
Warhoops verdwijnt, het erfgoed blijft
Door veranderende tijden — stijgende schrootprijzen, internetverkoop en het verdwijnen van dagelijks gebruikte oldtimers — verloor Warhoops langzaam zijn functie. In 2013 verkocht Harry Warholak Jr., inmiddels bijna 70, het terrein aan U.S. Auto Supply. De naam Warhoops verdween en de meeste oude auto’s werden afgevoerd. Wat bleef, was de reputatie: mogelijk de beroemdste autosloperij ter wereld.
Van sloop naar museum: Petersen Automotive Museum
In 2024 kreeg het verhaal een nieuw hoofdstuk. Het Petersen Automotive Museum in Los Angeles opende de tentoonstelling “GM’s Marvelous Motorama: Dream Cars from the Joe Bortz Collection”. Voor het eerst werden zes Motorama-conceptcars samen getoond, waaronder drie die hun bestaan te danken hebben aan Warhoops:
-
1955 LaSalle II Roadster
-
1955 Chevrolet Biscayne
-
1955 LaSalle II Sedan (in ‘junkyard fresh’-staat)
Samen met andere iconen zoals de Buick Wildcat I en de Pontiac Bonneville Special vormen ze een unieke tijdcapsule van Amerikaanse autovisie.
Bortz omschreef ze treffend als “de Picasso’s en Rembrandts van deze automotive generatie”.
Warhoops was nooit bedoeld als museum, en toch werd het een toevluchtsoord voor autohistorie. Door toeval, zuinigheid, twijfel en uiteindelijk passie bleven vier droomauto’s bestaan die anders volledig zouden zijn verdwenen. Wat ooit lag te roesten in de modder van Sterling Heights, staat nu onder museumlicht in Los
Angeles — als stille getuigen van een tijd waarin de toekomst nog met de hand werd vormgegeven.
Waarom sommige GM-conceptcars zijn bewaard gebleven — en andere bijna verdwenen
In de jaren vijftig bouwde General Motors tientallen spectaculaire conceptcars voor de beroemde Motorama-shows. Ze waren bedoeld om te dromen: rijdende visies op de toekomst, vol experimenteel design en techniek. Toch heeft slechts een deel van deze auto’s de tand des tijds doorstaan. Het verschil tussen bewaren en verdwijnen zat zelden in toeval, maar vrijwel altijd in functie en waarde binnen GM zelf.
Conceptcars met technologische betekenis — zoals de Firebird-turbineauto’s of de Cadillac Cyclone — werden al vroeg gezien als onderzoeksobjecten en visitekaartjes van GM. Ze waren rijdend, technisch uniek en bruikbaar voor verdere ontwikkeling. Daardoor bleven ze onder bescherming van de ontwerp- en onderzoeksafdelingen en maakten ze uiteindelijk deel uit van wat nu de GM Heritage Collection is.
Heel anders verging het de vroege Motorama-stylingstudies, vooral van vóór 1955. Auto’s zoals de LaSalle II en de Chevrolet Biscayne waren vaak niet meer dan showobjecten: gebouwd van hout, gips en glasvezel, zonder echte aandrijflijn of chassis. Intern golden ze niet als volwaardige auto’s, maar als tijdelijke decorstukken. Na afloop van hun showleven waren ze juridisch lastig, technisch onbruikbaar en economisch waardeloos — zelfs als schroot.
In economisch moeilijke tijden, zoals rond 1958, besloot GM daarom veel van deze stylingconcepten administratief te laten verdwijnen. De meeste werden daadwerkelijk vernietigd. Vier exemplaren ontsnapten hieraan toen ze terechtkwamen bij de autosloperij Warhoops in Michigan, waar ze decennialang vergeten bleven liggen.
Dat deze auto’s vandaag de dag nog bestaan, is te danken aan een combinatie van toeval, uitstel en uiteindelijk de inzet van verzamelaar Joe Bortz. Zijn redding van de Warhoops-auto’s maakt duidelijk hoe dun de scheidslijn was tussen cultureel erfgoed en definitieve verdwijning — en waarom niet elke droomauto het heeft overleefd.
Warhoops junkyard in 1988 en de vondst van de GM Motorama concepts en de redding van deze auto's door Joe Bortz.










































