top of page

Van stoom tot bougie en patentproblemen

De auto zoals wij die kennen ontstond niet op één moment. Eeuwenlang experimenteerden uitvinders met mechanische aandrijving, zelfbewegende voertuigen en nieuwe energiebronnen. De automobiel was het resultaat van een lange keten van ontdekkingen.

'De nieuwe mechanische wagen met de verschrikkelijke naam automobiel zal nooit meer weg te denken zijn', New York Times 1897.

Dit was één van de eerste grote publicaties in de media waarin de naam automobiel werd gebruikt. Dit hielp om de naam algemeen geaccepteerd te krijgen onder het publiek. De oorsprong van de naam ligt echter veel verder terug. De 14e-eeuwse Italiaanse schilder en ingenieur Francesco di Giorgio Martini bouwde nooit een automobiel, maar tekende wel plannen voor een door mensen aangedreven koets met vier wielen. De naam automobile wordt vaak gekoppeld aan de Griekse woorden 'auto' (zelf) en het Latijnse 'mobilis' (bewegend).

 

Een andere populaire naam is het Engelse 'car'. Dit is uiteindelijk afgeleid van het Keltische 'carrus', wat zoveel betekent als kar of wagen.

 

Uit patenten blijkt dat iedere uitvinder zijn eigen visie had.

Oliver Evans, US Patent uit 1787: Oruktor Amphibolos. Niet geheel eerlijk als voorbeeld, omdat het eigenlijk een amfibische 'auto' was.

George Selden, US Patent aangevraagd in 1879: road machine.

De gebroeders Duryea, US Patent 1895: motor wagons.

Henry Ford, ontwerp uit 1896: Quadricycle.

 

Andere vroege (Engelse) referenties waren:

autobaine, autokenetic, autometon, automotor horse, buggyaut, diamote, horseless carriage, mocole (niet verifieerbaar) , motor carriage, motorig, motor-vique (aer was zelfs een auto merk Argo Motor Vique) en oleo locomotive.

Voor 1860 - Voorlopers van de automobiel (3e eeuw – 1860)

  • 3e eeuw: Het oudste bekende bewijs van een mechanisme met een krukas en drijfstangen dateert uit de 3e eeuw. Dit werd gevonden bij de Hierapolis houtzagerij in Turkije, destijds onderdeel van het Romeinse Rijk. Het mechanisme zette een draaiende beweging om in een heen-en-weergaande beweging, een principe dat later essentieel zou worden voor stoommachines en verbrandingsmotoren.

  • 5e eeuw: Romeinse ingenieurs beschreven verschillende mechanische toepassingen waarbij draaiende en lineaire bewegingen werden gecombineerd. Deze vroege mechanische principes vormden een basis voor latere ontwikkelingen op het gebied van aandrijving.

  • 9e eeuw: De krukas verschijnt in 9e-eeuwse Arabische boeken over ingenieuze apparaten van de gebroeders Banū Mūsā. Zij beschreven toepassingen waarbij krukmechanismen werden gebruikt in verschillende hydraulische apparaten. Zij vonden de krukas niet uit, maar droegen wel bij aan de verdere ontwikkeling en verspreiding van deze techniek.

  • 1206: Al-Jazari beschreef een vroege praktische toepassing van een krukas die hij combineerde met een drijfstangsysteem in een twee-cilinder pomp. Net als bij een moderne krukas bestond zijn mechanisme uit een wiel dat de drijfstangen in beweging zette. Het wiel draaide rond en de stangen bewogen in een rechte lijn op en neer. Dit systeem zette een draaiende beweging om in een continue lineaire beweging. Dit principe staat centraal in de werking van moderne stoommachines en verbrandingsmotoren. Al-Jazari wordt gezien als één van de grondleggers van de robotica.

  • 1680: De Nederlandse natuurkundige Christian Huygens ontwierp in de 17e eeuw een vroege interne verbrandingsmotor die werd gevoed met buskruit. De explosie in een cilinder moest een zuiger aandrijven en daarmee mechanische arbeid leveren. Het concept werd nooit een praktisch voertuig, maar was één van de eerste ideeën waarbij verbranding binnen een cilinder werd gebruikt als krachtbron.

  • 1769: Nicolas-Joseph Cugnot bouwde in 1769 de Fardier à vapeur, een door stoom aangedreven voertuig voor het Franse leger. Het was zwaar, langzaam en niet praktisch, maar het bewees voor het eerst dat een voertuig zichzelf kon voortbewegen zonder paard.

  • 1780s: Alessandro Volta bouwde een elektrisch ontstekingsapparaat waarin een elektrische vonk een mengsel van lucht en waterstof liet exploderen. Hiermee kon een kurk worden weggeschoten. Dit experiment was een belangrijke stap in het begrijpen van elektrische ontsteking, een techniek die later essentieel werd voor de verbrandingsmotor.

  • 1791: John Barber ontvangt het Britse patent #1833 voor een methode voor het gebruik van stijgende ontvlambare lucht met als doel het produceren van beweging en het vergemakkelijken van metallurgische bewerkingen. Hiermee beschreef hij een principe dat deels overeenkomt met de werking van een turbine.

  • 1794: Robert Street bouwt een motor zonder compressie. Dit principe zou bijna een eeuw lang worden toegepast in vroege verbrandingsmotoren.

  • 1798: Tippu Sultan, de heerser van het staatje Mysore in India, gebruikt de eerste ijzeren raketten tegen het Britse leger. Hoewel dit geen directe invloed had op de automobiel, toont het de ontwikkeling van vroege mechanische en chemische aandrijftechnieken.

  • 1804: Richard Trevithick bouwde een vroege stoomwagen die in Londen werd gedemonstreerd. Hij ontwikkelde ook de hogedruk-stoommachine die later belangrijk werd voor locomotieven.

  • 1807: Nicéphore Niépce bouwde zijn door 'mos, koolstof en hars' aangedreven Pyréolophore-verbrandingsmotor in een boot en voer hiermee over de Saône in Frankrijk. Keizer Napoleon Bonaparte verleende op 20 juli goedkeuring voor een patent op deze uitvinding.

  • 1807: François Isaac de Rivaz, een Zwitserse ingenieur, bouwde een verbrandingsmotor die werd aangedreven door een mengsel van waterstofgas en lucht. De ontsteking gebeurde met een elektrische vonk. Hiermee combineerde hij twee belangrijke technieken: een gasvormige brandstof en elektrische ontsteking.

  • 1810: Het familiebedrijf Peugeot startte met de productie van onder andere zaagbladen, veren en later huishoudelijke producten. In de 19e eeuw breidde het bedrijf uit naar koffiemolens, fietsen en rijtuigen. Door deze ervaring met metaalbewerking en voertuigbouw kon Peugeot later de overstap maken naar de automobielindustrie. In 1889 bouwde Peugeot zijn eerste stoomauto en in 1890 volgde de eerste Peugeot met een verbrandingsmotor van Daimler.

  • 1823: Samuel Brown patenteerde de eerste verbrandingsmotor die industrieel werd toegepast. Deze motor was compressieloos en werkte voornamelijk op waterstofgas. Het principe was gebaseerd op een atmosferische motor, waarbij de druk van de buitenlucht de arbeidsslag veroorzaakte. Later werd dit principe door Hardenberg aangeduid als de 'Leonardo Cycle'. Zoals de naam al aangeeft, was dit principe rond deze tijd al achterhaald door efficiëntere ontwerpen.

  • 1824: De Franse natuurkundige Sadi Carnot ontwikkelde de thermodynamische theorie van de geïdealiseerde warmtemotor. Zijn werk vormde een theoretische basis voor de ontwikkeling van latere verbrandingsmotoren.

  • 1826 (1 april): De Amerikaan Samuel Morey verwierf een patent voor een compressieloze "Gas of damp motor". Hiermee beschreef hij een vroege gasmotor die werkte zonder voorafgaande compressie.

  • 1832-1839: De Schot Robert Anderson ontwikkelde een vroege elektrische koets. Deze gebruikte primaire elektrische cellen als energiebron. De voertuigen waren zwaar, langzaam en duur en de batterijen moesten regelmatig worden vervangen. Hierdoor was elektrisch rijden in deze periode nog niet praktisch. Elektriciteit als praktische energiebron voor voertuigen werd pas later interessant toen een constante toevoer van elektriciteit mogelijk werd, zoals bij trams en elektrische spoorwegen.

  • 1833: Lemuel Wellman Wright ontvangt het Britse patent 6525 voor een tafelmodel gasmotor. Dit was een dubbelwerkende gasmotor en één van de eerste vermeldingen van een cilinder met watermantel.

  • 1838: Een patent werd verleend aan William Barnett. Volgens Dugald Clerk was dit de eerste vermelding van compressie binnen de cilinder van een verbrandingsmotor.

  • 1844: Charles Goodyear ontdekt het vulkaniseren van rubber. Door rubber te behandelen met zwavel en warmte ontstaat een sterker en stabieler materiaal dat beter bestand is tegen temperatuurwisselingen, slijtage en vervorming. Deze ontdekking maakt de weg vrij voor het latere gebruik van rubber in onder andere banden, afdichtingen en talloze andere voertuigonderdelen. Hoewel de naam Goodyear tegenwoordig vooral bekend is door de bandenfabrikant Goodyear Tire & Rubber Company, werd dit bedrijf pas in 1898 opgericht en had Charles Goodyear zelf hier geen betrokkenheid bij.

  • 1852: De gebroeders Studebaker richten in South Bend, Indiana een smederij en wagenmakerij op. Het bedrijf groeit uit tot één van de grootste Amerikaanse fabrikanten van paardenwagens en levert later de basis voor de overstap naar de automobielindustrie.

  • 1854-1857: Eugenio Barsanti en Felice Matteucci ontwikkelden een motor die waarschijnlijk één van de eerste viertaktprincipes gebruikte. Helaas is het oorspronkelijke patent verloren gegaan.

  • 1856: In Florence bij Fonderia del Pignone (tegenwoordig Nuovo Pignone, onderdeel van General Electric) realiseerde Pietro Benini een werkend prototype van een Italiaanse verbrandingsmotor met een vermogen van 5 pk. In de jaren daarna ontwikkelde hij sterkere motoren met één of twee cilinders die werden gebruikt als stationaire motoren ter vervanging van stoommachines.

  • 1857: Eugenio Barsanti en Felice Matteucci beschreven de beginselen van de vrije zuigermotor waarbij het vacuüm na de explosie zorgt voor de arbeidsslag door atmosferische druk. Hiervoor ontvingen zij het Britse patent No. 1625. Otto en Langen zouden later de eerste commercieel succesvolle motor bouwen gebaseerd op vergelijkbare principes. Dit gebeurde echter pas ongeveer tien jaar later.

 

1860-1910

  • 1860: De Belg Jean Joseph Étienne Lenoir (1822–1900) ontwikkelde een gas aangedreven interne verbrandingsmotor gebaseerd op een horizontale dubbelwerkende stoommachine met zuigers, cilinders, drijfstangen en een vliegwiel, waarbij het gas de plaats van de stoom innam. Dit was de eerste interne verbrandingsmotor die op grote schaal geproduceerd werd. Hij patenteerde deze machine.

  • 1861: Het oudste bevestigde patent voor het principe van een viertaktmotor was van Alphonse Beau de Rochas. Hij beschreef het principe van de vier stappen: inlaat, compressie, arbeid en uitlaat. Een jaar eerder maakte Christian Reithmann waarschijnlijk een motor volgens hetzelfde principe, maar zijn patent beschreef dit niet duidelijk genoeg.

  • 1862: Nikolaus Otto bouwde zijn eerste experimentele viertaktmotor gebaseerd op het principe van Beau de Rochas. Deze werkte echter nog niet betrouwbaar. Later ontwikkelde Otto samen met Eugen Langen de atmosferische vrije zuigermotor, waarmee hij uiteindelijk een commercieel succesvolle motor ontwikkelde.

  • 1863: Lenoir rijdt een route van 50 mijl met een verbeterde motor die op petroleum loopt en voorzien is van een primitieve carburateur.

  • 1865: Pierre Hugon start met het produceren van zijn Hugon motor. Deze is gebaseerd op de Lenoir motor, maar is zuiniger en betrouwbaarder. Sylvester Roper bouwt een koets met een stoommachine die zichzelf voortbeweegt.

  • 1866: Otto en Langen introduceren hun vrije zuigermotor op de Parijse tentoonstelling. Deze motor was ongeveer de helft zuiniger dan de motoren van Lenoir en Hugon.

  • 1870: Siegfried Marcus ontwikkelde vanaf 1865 verschillende verbrandingsmotoren. Rond 1870 bouwde hij mogelijk een zelfbewegende handkar met een verbrandingsmotor, hoewel het bewijs hiervoor niet volledig sluitend is. In de jaren daarna ontwierp hij verschillende tweetaktmotoren die bij meerdere fabrieken gebouwd werden. Ook ontwikkelde hij de elektrische laagspanningsontsteking, waarvoor hij in 1883 een Duits octrooi kreeg. In 1887 ging hij een samenwerking aan met de firma Marky, Bromovski & Schulz in het toenmalige Adamsthal, Moravië. Daar kwam in 1888 zijn viertaktmotor gereed, die hij gebruikte voor zijn "Strassenwagen". Veel materiaal over zijn uitvindingen werd tijdens de Duitse bezetting van Oostenrijk vernietigd door de nazi's. Omdat Marcus Joods was, werd zijn naam uit Duitse publicaties verwijderd. Zijn rol in de ontwikkeling van de automobiel werd hierdoor lange tijd onderbelicht.

  • 1871: Dr. Carhart, een natuurkundeprofessor, bouwde samen met de Case Company een stoomauto die een 200 mijl lange race won.

  • 1872: In Amerika vond George Brayton de "Brayton's Ready Motor" uit, die commercieel geproduceerd werd. Deze gebruikte een constante verbrandingsdruk en was de eerste commercieel geproduceerde vloeistof aangedreven interne verbrandingsmotor, hoewel het succes beperkt bleef.

  • 1875: Auburn werd opgericht.

  • 1876: Nikolaus Otto ontwikkelde samen met Eugen Langen de viertaktmotor verder. De Duitse rechter bepaalde later dat Otto's patent niet exclusief de viertaktcyclus en de in-cilinder compressiemotor beschreef. Hierdoor konden andere uitvinders deze techniek verder ontwikkelen en werd dit type motor uiteindelijk de standaard. Gottlieb Daimler en Wilhelm Maybach werkten later bij Deutz aan de verdere ontwikkeling van lichte en snelle verbrandingsmotoren.

  • 1878: Dougald Clerk ontwierp de eerste tweetaktmotor met in-cilinder compressie. Hij patenteerde deze in Engeland in 1881.

  • 1879: Karl Benz, zelfstandig werkend, kreeg een patent toegewezen voor zijn interne verbrandingsmotor. Dit was een betrouwbare tweetakt gasmotor.

  • 1882: James Atkinson vond de Atkinson-cycle engine uit. Zijn motor had een arbeidsslag per omwenteling en gebruikte verschillende inlaat- en expansieslagen. Hierdoor had deze motor het potentieel efficiënter te zijn dan de Otto-motor.

  • 1883: Edouard Delamare-Deboutteville bouwde een ééncilinder viertaktmotor die op aardgas liep. Zijn ontwerpen waren hun tijd vooruit en waren op papier zelfs verder ontwikkeld dan sommige ontwerpen van Daimler en Benz. Karl Benz richtte Benz & Cie op.

  • 1884: De Britse ingenieur Edward Butler construeerde een vroege benzine interne verbrandingsmotor. Butler ontwikkelde een elektrische ontsteking, een bougie, magnetische ontsteking en een vroege carburateur. Hij gebruikte als één van de eersten het woord "benzine". Delamare-Deboutteville patenteerde een carburateur.

  • 1885: Gottlieb Daimler ontwikkelde een compacte, snelle viertakt benzinemotor die een belangrijke stap vormde richting de moderne automotor. Hij bouwde eerst een voertuig met twee wielen, de Reitwagen, met deze motor. Een jaar later bouwde hij 's werelds eerste vierwielige motorvoertuig op basis van een koets.

  • Karl Benz bouwde zijn eigen viertaktmotor die gebruikt werd in zijn auto's. Deze voertuigen werden ontwikkeld in 1885, gepatenteerd in 1886 en behoren daarmee tot de eerste auto's die vanaf het begin als motorvoertuig waren ontworpen en commercieel geproduceerd.

  • 1886: Karl Benz kreeg op 29 januari het eerste patent voor een benzine aangedreven voertuig, een driewieler. Zijn eerste vierwieler bouwde hij pas in 1891. Ransom E. Olds experimenteert met stoomaangedreven driewielers. Samen met zijn vader Pliny Fisk Olds bouwt hij in Lansing, Michigan aan stoom- en later benzinemotoren. Deze experimenten vormen de basis voor zijn latere autofabrieken.

  • 1887: Gustaf de Laval introduceert de Lavalstraalpijp voor zijn Lavalturbine. Deze uitvinding maakt het mogelijk om stoom efficiënter om te zetten in snelheid en energie en wordt later een belangrijk onderdeel binnen de ontwikkeling van turbines. Hoewel deze ontwikkeling niet direct met auto's te maken heeft, draagt ze wel bij aan de bredere ontwikkeling van efficiënte krachtbronnen en techniek.

  • 1888: William Morrison bouwt een elektrisch voertuig en rijdt hiermee door Chicago. Zijn voertuig wordt beschouwd als één van de eerste praktische elektrische auto's in de Verenigde Staten. Elektrische voertuigen waren in deze periode een serieuze concurrent voor stoom- en benzineauto's, vooral omdat ze stil waren, eenvoudig te bedienen en geen ingewikkelde startprocedure hadden.

  • 1889: Gottlieb Daimler en Wilhelm Maybach bouwen hun eerste volledig zelf ontworpen auto. Tot dan toe waren veel gemotoriseerde voertuigen gebaseerd op bestaande koetsen waarin een motor werd geplaatst. Daimler en Maybach ontwikkelen nu een voertuig dat vanaf het begin rondom een verbrandingsmotor is ontworpen. Het voertuig krijgt een verbeterde versie van hun viertaktmotor, een viertraps transmissie en behaalt een topsnelheid van ongeveer 16 km/u. Hiermee leggen zij een belangrijke basis voor de verdere ontwikkeling van de automobiel.

  • 1890: Wilhelm Maybach bouwt de eerste viertakt viercilinder motor. Deze motor is een belangrijke verdere ontwikkeling van het Daimler-motorconcept en toont aan dat verbrandingsmotoren steeds krachtiger en bruikbaarder worden. In hetzelfde jaar richt Gottlieb Daimler samen met partners de Daimler-Motoren-Gesellschaft (DMG) op. Het doel van het bedrijf is om Daimlers motorontwerpen commercieel te produceren. De onderneming zou later uitgroeien tot één van de belangrijkste namen uit de autogeschiedenis. Ook begint in Frankrijk de samenwerking tussen Panhard & Levassor en Daimler. Zij bouwen hun eerste auto met een Daimler-motor. Édouard Sarazin bezit de licentierechten voor Daimler-motoren in Frankrijk en speelt een belangrijke rol bij het tot stand komen van deze samenwerking. Na het overlijden van Sarazin zet zijn vrouw Louise Sarazin de contacten voort. Hierdoor krijgen Panhard & Levassor toegang tot de Daimler-techniek.

  • 1891: Herbert Akroyd Stuart bouwt zijn eerste oliemotor en sluit een overeenkomst met Richard Hornsby & Sons in Engeland voor de productie ervan. Hornsby ontwikkelt deze motoren verder en bouwt de eerste praktische compressie-ontstekingsmotoren. In 1892 wordt één van deze motoren geïnstalleerd in een waterpompstation. Een experimentele hogedrukversie bereikt uiteindelijk zelfontbranding door uitsluitend gebruik te maken van de hoge temperatuur die ontstaat door compressie. Deze ontwikkeling vormt één van de belangrijke stappen richting de latere dieselmotor. In Amerika behoren Lambert en Nadig tot de vroege pioniers die voertuigen met mechanische aandrijving ontwikkelen. Zij behoren tot de groep uitvinders die vóór de grote Amerikaanse autofabrikanten experimenteren met gemotoriseerd vervoer.

  • 1892: Dr. Rudolf Diesel ontwikkelt zijn concept voor een efficiëntere warmte-motor gebaseerd op de principes van de Carnot-cyclus. Diesel zoekt naar een motor die een hoger rendement heeft dan de bestaande stoommachines en benzinemotoren. Zijn idee is om lucht extreem sterk samen te persen, waardoor de temperatuur hoog genoeg wordt om brandstof spontaan te laten ontbranden zonder gebruik van een bougie.

  • 1893: Op 23 februari dient Rudolf Diesel zijn patentaanvraag in voor zijn compressie-ontstekingsmotor. Het Duitse patent wordt later in 1893 verleend. Zijn eerste volledig werkende dieselmotor zal pas in 1897 succesvol draaien. Op 20 september bouwen de broers Charles en Frank Duryea in Springfield, Massachusetts hun eerste auto. Zij bouwen een eencilinder benzinemotor in een gebruikte koets die zij voor ongeveer $70 hebben gekocht. De broers zijn oorspronkelijk fietsenmakers en raken geïnteresseerd in de nieuwe ontwikkelingen rond benzinemotoren en auto's. Hun voertuig behoort tot de eerste bruikbare Amerikaanse auto's. In 1896 richten zij de Duryea Motor Wagon Company op, waarmee zij één van de eerste Amerikaanse autofabrikanten worden. Op 24 december test Henry Ford zijn zelfgebouwde benzinemotor in zijn huis in Detroit. Zijn vrouw Clara Ford helpt hem door benzine toe te voegen terwijl Ford de elektrische ontsteking aansluit. De motor komt uiteindelijk tot leven. Ford werkt op dat moment nog bij de Edison Illuminating Company om ervaring op te doen met elektriciteit en techniek. Hij is dan 27 jaar oud. Het duurt nog drie jaar voordat hij zijn eerste complete voertuig bouwt: de Quadricycle. In hetzelfde jaar wordt de Office of Road Inquiry opgericht in de Verenigde Staten. Deze organisatie houdt zich bezig met onderzoek naar wegenbouw en verbetering van de infrastructuur.

  • 1894: De Benz Velo wordt één van de eerste gestandaardiseerde auto's die commercieel geproduceerd wordt. Het voertuig is lichter, eenvoudiger en betrouwbaarder dan eerdere Benz-modellen en is daardoor beter geschikt voor serieproductie. In 1895 worden ongeveer 140 identieke Velo's gebouwd. Hiermee behoort Karl Benz tot de eerste fabrikanten die auto's volgens een vast ontwerp in grotere aantallen produceren.

  • 1895: Émile Levassor rijdt met een Panhard & Levassor tijdens de wedstrijd Parijs-Bordeaux-Parijs een afstand van 1.170 kilometer. De auto heeft een tweecilinder Daimler-motor van ongeveer 1,2 liter met gloeibuisontsteking. Levassor behaalt een gemiddelde snelheid van ongeveer 24 km/u. De langste servicestop tijdens de rit duurt slechts 22 minuten. Levassor is sinds 1891 actief in de automobielindustrie en behoort inmiddels tot de belangrijkste personen binnen de jonge auto-industrie. In Parijs zijn auto's inmiddels geen zeldzaamheid meer. Franse en Duitse fabrikanten verkopen hun voertuigen via catalogi en bouwen langzaam een commerciële markt op. De auto's van Panhard & Levassor krijgen een pedaalbediende koppeling, een voorin geplaatste motor en radiateur en achterwielaandrijving. Deze opstelling zorgt voor een betere gewichtsverdeling en wordt bekend als het "Système Panhard". Deze indeling wordt uiteindelijk de standaard voor vrijwel alle auto's gedurende de daaropvolgende tientallen jaren. In hun auto uit 1895 gebruiken Panhard & Levassor bovendien één van de eerste moderne transmissies: een handgeschakelde versnellingsbak met schuivende tandwielen (sliding-gear transmission). Op 28 november om 08:55 uur vertrekken zes auto's vanuit Jackson Park in Chicago voor een race over 54 mijl naar Evanston en terug. De omstandigheden zijn zwaar. Het parcours ligt onder sneeuw en de auto's moeten over slechte wegen rijden. Auto nummer 5, bestuurd door Frank Duryea, wint de wedstrijd en ontvangt een prijs van $2.000. Hij voltooit de race in minder dan 10 uur met een gemiddelde snelheid van 7,3 mph (ongeveer 12 km/u). Het is de eerste Amerikaanse autorace waarbij een deelnemer daadwerkelijk de finish bereikt.

  • 1896: Karl Benz vindt de boxer-motor uit, ook bekend als de platte motor. In deze motor bewegen de tegenover elkaar liggende zuigers tegelijk naar hun bovenste dode punt, waardoor zij elkaar in balans houden en trillingen verminderen. In maart biedt de Duryea Motor Wagon Company de eerste commerciële auto's aan. Twee maanden later rijdt de New Yorkse automobilist Henry Wells een fietser aan. De fietser loopt een gebroken been op en Wells brengt een nacht door in de cel. Het eerste geregistreerde verkeersongeval met een motorvoertuig in de Verenigde Staten is daarmee een feit. Op 6 maart 1896 rijdt Charles B. King in Detroit met zijn zelfgebouwde watergekoelde viercilinder viertaktvoertuig. Op 7 september vindt in Rhode Island de eerste autorace op een circuit (track race) plaats.

  • 1897: De Parijs-Marseille-Parijs race van 1897 kost Émile Levassor uiteindelijk het leven. Tijdens de wedstrijd krijgt hij een ernstig ongeluk en overlijdt enkele maanden later aan de gevolgen daarvan. Zijn overlijden is een groot verlies voor de jonge Franse auto-industrie. Ransom E. Olds richt de Olds Motor Vehicle Company op in Lansing, Michigan. Het bedrijf wordt één van de eerste autofabrikanten in Michigan en vormt later de basis voor het merk Oldsmobile. Op 12 maart houdt Pope Manufacturing Company de eerste persintroductie voor een nieuw automodel. Hiermee ontstaat één van de eerste vormen van een georganiseerde modelpresentatie aan de pers.

  • 1898: Goodyear Tire & Rubber Company wordt opgericht in Akron, Ohio. Het bedrijf is vernoemd naar Charles Goodyear, de ontdekker van het vulkaniseren van rubber, hoewel hij zelf niets met het bedrijf te maken heeft. Goodyear groeit later uit tot één van de grootste bandenproducenten ter wereld.

  • 1899: In de eerste vier maanden van het jaar wordt door investeerders ongeveer $388 miljoen geïnvesteerd in nieuwe autofabrikanten. Er rijden inmiddels rond de 8.000 motorvoertuigen rond in de Verenigde Staten. Dertig fabrikanten hebben samen ongeveer 2.500 auto's gebouwd en de auto-industrie staat op de 150e plaats gemeten naar productiewaarde binnen de Amerikaanse economie. De Ohio Automobile Company wordt opgericht om de nieuwe Packard-auto's te produceren. De auto's krijgen al snel een zeer goede reputatie, waarna de naam van het bedrijf wordt veranderd in Packard Motor Car Company. Tot 1903 worden alle Packards gebouwd met een ééncilindermotor. Packard positioneert zich vanaf het begin als een luxe- en kwaliteitsmerk. Een Black kost $375, een Oldsmobile Runabout $650, een Cole 30 en Cole Runabout $1.500, terwijl een Packard $2.600 kost. Door de hoge prijs, technische kwaliteit en aandacht voor afwerking groeit Packard uit tot één van de meest prestigieuze Amerikaanse automerken, vaak omschreven als de "Rolls-Royce van Amerika". De klanten komen niet alleen uit Amerika, maar ook uit het buitenland. Olds verhuist zijn bedrijf naar Detroit en verandert de naam in Olds Motor Works. In deze periode ontwikkelt hij zijn visie op de productie van betaalbare auto's voor een grotere markt. De naam Oldsmobile wordt geïntroduceerd.

  • 1900: Rond het jaar 1900 zijn elektrische auto's de best verkochte voertuigen. Dit voordeel verdwijnt echter snel wanneer benzineauto's betrouwbaarder worden, een groter bereik krijgen en eenvoudiger kunnen worden bijgetankt. In Europa is Benz het best verkopende automerk. Karl Benz is ook één van de eersten die een motor en chassis als één geheel ontwerpt, in plaats van een bestaande koets aan te passen voor gemotoriseerde aandrijving. In de Verenigde Staten bezit ongeveer 1 op de 9.500 inwoners een auto. Van de geregistreerde motorvoertuigen is ongeveer 40% door stoom aangedreven, 38% elektrisch en slechts 22% gebruikt een benzinemotor. Aan het einde van het jaar zijn er al 13.824 auto's in de Verenigde Staten. Wereldwijd worden er ongeveer 10.000 auto's geproduceerd. In hetzelfde jaar demonstreert Rudolf Diesel zijn dieselmotor tijdens de Exposition Universelle in Parijs. Hij gebruikt hierbij pindaolie als brandstof, waarmee hij één van de vroege toepassingen van een plantaardige brandstof voor een dieselmotor laat zien. Wilhelm Maybach ontwerpt een nieuwe motor die wordt gebouwd bij de Daimler-Motoren-Gesellschaft volgens de specificaties van Emil Jellinek. Jellinek verzoekt dat de motor wordt vernoemd naar zijn dochter Mercedes. Hierdoor ontstaat de naam Daimler-Mercedes. Vanaf 1902 worden auto's met deze motor geproduceerd door DMG. Charles Nash is in deze periode Vice President en General Manager bij de Durant-Dort Carriage Company.

  • 1901: De Curved Dash Oldsmobile wordt de eerste Amerikaanse auto die op grote schaal in serieproductie wordt gebouwd. Ransom E. Olds ontwikkelt hiervoor een vroege vorm van lopende-bandproductie waarbij onderdelen op vaste plaatsen worden gemonteerd. In 1901 worden 425 exemplaren gebouwd; in 1905 groeit dit aantal naar ongeveer 5.000. Oldsmobile is van 1901 tot en met 1904 de best verkopende autofabrikant in de Verenigde Staten. De massaproductie brengt echter ook problemen met zich mee. Klanten willen steeds modernere modellen, terwijl Olds grote investeringen heeft gedaan in productiemiddelen voor een specifiek ontwerp. Hierdoor loopt hij tegen één van de eerste problemen van massaproductie aan: efficiënt produceren maakt snel veranderen moeilijker.  De Detroit Automobile Company gaat failliet nadat het bedrijf in twee jaar tijd slechts zes auto's verkoopt. De financiers die de fabriek overnemen ontslaan hoofdontwikkelaar Henry Ford. Nadat Ford successen behaalt tijdens autoraces, financieren voormalige aandeelhouders van de Detroit Automobile Company de oprichting van de Henry Ford Company. Ford krijgt hierbij een aandeel van 1/6 in het bedrijf, maar verlaat de onderneming al snel. In 1903 richt hij de Ford Motor Company op. Wilhelm Maybach ontwerpt in Duitsland de eerste Mercedes. In de Verenigde Staten verschijnen de eerste kentekens. Pierce-Arrow bouwt zijn eerste ééncilinder voertuig.

  • 1902: Minstens 50 nieuwe bedrijven beginnen met de productie van auto's in de Verenigde Staten. Léon Levavasseur krijgt een patent op een lichte en krachtige V8-gasmotor. Deze motor wordt later belangrijk voor de ontwikkeling van vliegtuigmotoren. Studebaker is één van de bedrijven die zich steeds meer op auto's gaat richten. Het bedrijf begint eerst met elektrische voertuigen en produceert vanaf 1904 ook benzineauto's. De laatste Studebaker rolt uiteindelijk op 16 maart 1966 van de productielijn. Marmon start met de productie van auto's. Thomas B. Jeffery richt zijn autofabriek op en produceert de merken Jeffery en Rambler.

  • 1903: Konstantin Tsiolkovsky begint een reeks theoretische werken waarin hij de mogelijkheden bespreekt om raketten te gebruiken voor ruimtevaart. Een belangrijk onderdeel van zijn ideeën is het gebruik van vloeistofbrandstofraketten, waarmee hij één van de grondleggers van de moderne ruimtevaarttheorie wordt. Henry Ford richt de Ford Motor Company op. Hij neemt personeel aan en geeft aandelen uit om de onderneming te financieren. De fabriek is klein met een oppervlakte van ongeveer 250 bij 50 voet. Ford is op dat moment nog sterk afhankelijk van leveranciers en is meer een bouwer en samensteller dan een volledig zelfstandige fabrikant. Een belangrijk deel van zijn vroege succes komt door de levering van motoren door de Dodge Brothers. Zij hadden eerder motoren gebouwd voor Oldsmobile en beëindigen hun contract om Ford te kunnen leveren. Waar Ford ongeveer 12 medewerkers heeft, werken er bij Dodge ongeveer 135 mensen. Ford kan de Dodge Brothers aanvankelijk niet volledig betalen en biedt daarom aandelen aan. De gebroeders Dodge krijgen 10% van het bedrijf en bescherming van hun investering door rechten op Ford's bezittingen bij een eventueel faillissement. In de beginperiode leveren de Dodge Brothers niet alleen motoren, maar bouwen zij ook onderdelen zoals chassiscomponenten, stoelen en mogelijk andere delen zoals carrosserieën en radiateurs. Hierdoor verdienen zij aan iedere verkochte Ford én ontvangen zij later aanzienlijke dividenden. In deze periode ontwikkelt Henry Ford steeds meer een moeilijk karakter. Hij wordt wantrouwig tegenover personeel, ontslaat onder andere mensen op basis van persoonlijke eigenschappen en legt later antisemitische denkbeelden vast in zijn publicaties. Ook legt hij werknemers via zijn sociale afdeling religieuze en persoonlijke gedragsregels op door middel van huisbezoeken. Aegidius Elling bouwt een gas turbine die gebruikmaakt van een centrifugale compressor die door de turbine zelf wordt aangedreven. Volgens de technische definities van die tijd wordt dit beschouwd als één van de eerste werkende gasturbines. De Association of Licensed Automobile Manufacturers (ALAM) wordt opgericht. Packard opent zijn zeer moderne fabriek in Detroit, ontworpen door architect Albert Kahn. Het complex beslaat ongeveer 16 hectare en is één van de eerste industriële gebouwen waarin gewapend beton op grote schaal wordt toegepast. De inmiddels historische fabriek bestaat nog steeds, ondanks meerdere branden. Pierce-Arrow bouwt zijn eerste auto, de Arrow.

  • 1904: De Verenigde Staten produceren meer auto's dan Frankrijk en nemen daarmee de positie van grootste autoproducent ter wereld over. Deze positie behouden zij tot Japan deze in 1980 overneemt. Henry Leland richt de Cadillac Motor Car Company op na een reorganisatie van de voormalige Henry Ford Company uit Detroit. Henry Ford rijdt met een Model B een nieuw snelheidsrecord op land van 91 mph (ongeveer 146 km/u). De prestatie wordt mede mogelijk gemaakt door de krachtige Dodge-motor en blijkt zeer winstgevend voor Ford. Ransom E. Olds verlaat Oldsmobile en richt de REO Motor Car Company op. REO richt zich op kwalitatief hoogwaardige auto's en later vooral op vrachtwagens. De naam REO blijft later verbonden aan de geschiedenis van Volvo's vrachtwagenactiviteiten. In Frankrijk wordt de V8-motor steeds populairder en wordt deze toegepast in onder andere vliegtuigen en boten.

  • 1903-1906: Het Franse team van Armengaud en Lemale bouwt een werkende gasturbine. De motor gebruikt drie afzonderlijke compressoren die worden aangedreven door één turbine. Door de beperkte temperatuur die de turbine kan verdragen, kan de compressieverhouding niet hoger worden dan ongeveer 3:1. De turbine is niet gebaseerd op een Parsons-achtige stoomturbine met schoepen, maar gebruikt een constructie die meer lijkt op een Pelton-wiel. De motor blijkt zeer inefficiënt met een thermisch rendement van slechts ongeveer 3%, waarna het project wordt stopgezet

  • 1904-1908: Minstens 240 nieuwe bedrijven beginnen met de productie van auto's in de Verenigde Staten. In dezelfde periode koopt William C. Durant, een succesvolle koetsenbouwer, de noodlijdende Buick Motor Car Company in Flint, Michigan. Durant wil hiermee de lokale economie ondersteunen en voorkomen dat werknemers van de Buick-fabriek hun baan verliezen. Onder zijn leiding groeit Buick snel en in 1908 is het merk de grootste autofabrikant in de Verenigde Staten. Buick verkoopt dat jaar ongeveer 9.000 auto's tegenover ongeveer 6.000 auto's van Ford.

  • 1905: Een Brush Motor Car kost $800, een Ford Model K $2.800 en een goed paard kost tussen de $150 en $300. De Verenigde Staten produceren ongeveer 25.000 auto's. Sylvanus F. Bowser vindt een praktische benzinepomp uit en opent het eerste tankstation voor automobilisten. Oldsmobile introduceert een eenvoudiger en goedkoper model dat in het eerste jaar direct 5.000 keer wordt verkocht. De Franse fabrikant Darracq bouwt een speciale auto om het wereldsnelheidsrecord te verbreken. Twee racemotoren worden gekoppeld aan één gezamenlijke krukas en nokkenas. Het voertuig heeft een totale cilinderinhoud van 25,4 liter en levert ongeveer 200 pk. Op 30 december wordt het wereldsnelheidsrecord verbroken met een topsnelheid van 176,46 km/u.

  • 1905: Alfred Büchi patenteert de turbocharger. Zijn uitvinding gebruikt uitlaatgassen om een compressor aan te drijven die extra lucht in de motor perst. Hiermee legt hij de basis voor de latere toepassing van turboladers in verbrandingsmotoren.

  • 1906: Benzineauto's hebben de markt nog niet volledig overgenomen. Stoomauto's blijven nog jarenlang een serieuze concurrent, vooral vanwege hun kracht en soepele werking. De Stanley Steamer vestigt een nieuw land snelheidsrecord voor auto's met een snelheid van 203 km/u. Hiermee bewijst de stoomauto dat deze techniek op het gebied van prestaties nog steeds kon concurreren met benzineauto's. Harvey Firestone sluit een belangrijke samenwerking met Henry Ford voor de levering van banden voor de Ford Model N en later de Model T. Firestone groeit hierdoor uit tot één van de grootste bandenfabrikanten ter wereld en profiteert enorm van de massale groei van Ford.

  • 1907: De Ford Motor Company wordt gewaardeerd op ongeveer $1 miljoen. Henry Ford koopt zijn partner Alexander Malcomson uit en krijgt daarmee een meerderheidsbelang van 55,2% in het bedrijf. De Dodge Brothers en James Couzens blijven kleine aandeelhouders. De Verenigde Staten produceren inmiddels ongeveer 43.000 auto's. De krant Le Matin uit Parijs organiseert een spectaculaire langeafstandsrally van Beijing naar Parijs. Op 10 juni vertrekken vijf deelnemers vanuit Beijing. De winnaar, prins Scipione Borghese, arriveert op 10 augustus in Parijs met een Italiaanse Itala. De rally toont de wereld dat auto's niet alleen geschikt zijn voor korte ritten, maar ook voor extreme afstanden.

  • 1908: De Nieuw-Zeelandse uitvinder Ernest Godward start in Invercargill een motorfietsbedrijf. Hij rust geïmporteerde motorfietsen uit met een eigen uitvinding: een brandstofbesparende carburateur. Deze carburateur blijkt ook geschikt voor auto's en wordt op grote schaal gebruikt, onder andere door defensieorganisaties en openbaarvervoerbedrijven. Ford introduceert de Model T en hiermee neemt Amerika definitief afscheid van het uiterlijk van de koets als basis voor de auto. De Model T blijft geproduceerd worden tot 1927, waarna het model technisch en vooral qua uitstraling achterhaald raakt door modernere en meer gestileerde modellen van concurrenten zoals General Motors. Na een productie van ruim 15 miljoen exemplaren is dat echter geen mislukking te noemen. Door het gebruik van efficiëntere productiemethoden wordt de bouwtijd drastisch verkort en uiteindelijk duurt het slechts ongeveer 93 minuten om een Model T te assembleren. Ford krijgt een reputatie voor goede kwaliteit, sterke auto's en uitstekende service. Al vanaf 1904 stuurt Ford fabrieksmonteurs het land in om klanten te ondersteunen. Hierdoor wordt een Ford bereikbaar voor vrijwel alle sociale lagen van de Amerikaanse bevolking. Op 16 september richt William C. Durant de General Motors Company (GM) op. Het bedrijf begint als een combinatie van onder andere Buick, Cadillac en Oldsmobile. De groei van Ford zorgt ervoor dat Durant de noodzaak ziet om snel uit te breiden door middel van overnames. In de eerste twee jaren behaalt GM al omzetten van respectievelijk $29 miljoen en $49 miljoen. Durant bezit daarnaast enkele Ford-dealerschappen en blijft betrokken bij de Durant-Dort Carriage Company, een bedrijf dat rond 1900 ongeveer 100.000 koetsen per jaar bouwt en veren, assen en andere belangrijke onderdelen levert aan de groeiende auto-industrie. René Lorin patenteert het ontwerp voor een ramjetmotor, een straalmotor zonder bewegende delen zoals compressors of turbines. Zijn idee vormt een belangrijke theoretische stap binnen de ontwikkeling van straalmotoren. John Willys koopt de Overland Automotive Division van de Standard Wheel Company en legt hiermee de basis voor de latere Willys-merken. Robert Craig Hupp, een voormalig medewerker van Oldsmobile en Ford, richt samen met zijn broer de Hupp Motor Car Company op. In 1910 verkoopt Robert zijn aandeel alweer en richt hij de kort bestaande RCH Automobile Company op, die later wordt omgevormd tot de Hupp-Yeats Electric Car Company. De gebroeders Fisher richten Fisher Body Company op in Detroit. Het bedrijf begint met het bouwen van houten carrosserieën voor autofabrikanten en groeit snel uit tot één van de belangrijkste carrosseriebouwers van Amerika. Fisher levert onder andere aan Cadillac en wordt later een cruciale leverancier voor General Motors.

  • 1909: In Kansas City opent George Pepperdine de Western Auto Supply Company, een postorderbedrijf dat onderdelen en accessoires levert voor de Ford Model T. De Model T wordt oorspronkelijk verkocht zonder banden, spatborden, dak, voorruit en verlichting. Kopers kunnen daardoor voor een bedrag dat soms vergelijkbaar is met de aanschafprijs van de auto zelf aftermarket-accessoires toevoegen. Op 20 februari richten acht zakenmannen uit Detroit de Hudson Motor Car Company op. Het merk wordt vernoemd naar het warenhuis van Joseph L. Hudson, die kapitaal en zijn naam beschikbaar stelt voor het nieuwe bedrijf. Hudson introduceert verschillende technische innovaties, waaronder een oliedrukmeter, controlelampjes voor de dynamo en een gebalanceerde krukas. In de herfst probeert William C. Durant Ford over te nemen, maar de overeenkomst mislukt door een tekort van $2 miljoen voor de benodigde aanbetaling. James Couzens en Henry Ford zijn al akkoord gegaan met een bod van $8 miljoen dat Durant op 5 oktober doet tijdens een ontmoeting in het Belmont Hotel in New York. Ford, inmiddels 46 jaar oud, heeft zware rugproblemen en ligt tijdens deze periode letterlijk op de koude badkamervloer van het hotel. Durant en Couzens bevinden zich elders in het hotel terwijl de onderhandelingen plaatsvinden. Het beeld ontstaat dat Ford, slechts zes jaar na de oprichting van zijn bedrijf, op het punt staat alles kwijt te raken. De verkopen van Ford bedragen in 1908 ongeveer $9 miljoen met een winst van $2,5 miljoen. Toch staat Ford onder druk vanwege de rechtszaak rond het Selden Patent van George Selden. Buick van Durant betaalt wel de licentiekosten, maar voor Ford blijft de uitkomst onzeker. Een verlies in de rechtszaak zou grote gevolgen hebben op het moment dat Ford zwaar investeert in zijn fabriek. James Couzens is uitgeput en kampt met migraineklachten. Durant ziet zijn kans en hoeft Ford eigenlijk niet te overtuigen; het gaat vooral om het juiste bod. Het bod van Durant bestaat uit een andere $8 miljoen dan het bedrag waarmee Ford rekent: Durant werkt vooral met leningen en aandelen, terwijl Ford daar weinig vertrouwen in heeft. Couzens brengt het voorstel over aan Ford en meldt dat hij zelf al akkoord is gegaan. Ford accepteert onder één voorwaarde: "goud op de tafel", oftewel een groot deel direct in contanten. Volgens een later verslag van The New York Times bestond de deal uit $2 miljoen in GM-aandelen, $4 miljoen die binnen drie jaar met 5% rente betaald zou worden en $2 miljoen direct in goud. De New York City Bank, die samenwerkt met J.P. Morgan, weigert echter de lening te verstrekken. Banken staan in deze periode nog terughoudend tegenover investeringen in de jonge auto-industrie. Durant laat Ford weten dat de overname niet doorgaat omdat hij geen andere financiële route kan vinden. Veertien maanden later beslist de rechter in het voordeel van Ford in de Selden Patent-zaak. Hierdoor krijgt Ford opnieuw vertrouwen en durft hij verder te investeren in de toekomst.

1910-1929

 

  • 1910: Er rijden inmiddels ongeveer 500.000 motorvoertuigen rond in de Verenigde Staten, waarvan 458.500 auto's zijn. De auto-industrie staat inmiddels op de 21e plaats gemeten naar productiewaarde binnen de Amerikaanse economie en heeft de koetsenindustrie in economisch opzicht voorbijgestreefd. De Durant-Dort Carriage Company levert carrosserieën voor Buick. William C. Durant kampt niet alleen met een tekort aan geld, maar ook aan ervaren personeel. Hij haalt Charles Nash naar Buick, waar deze op 13 december Vice President wordt. General Motors wordt getroffen door een teruglopende verkoop, waardoor Durant gedwongen wordt $13 miljoen aan nieuw kapitaal te zoeken. Een groep bankiers verstrekt uiteindelijk $15 miljoen, deels in contanten en deels in GM-aandelen. In ruil daarvoor verliest Durant zijn stemrecht binnen General Motors, dat wordt ondergebracht in een trust van bankiers. Bovendien moet hij aftreden als president van GM. Ford Motor Company opent daarentegen de nieuwe Highland Park-fabriek om de onverwacht grote vraag naar de Model T aan te kunnen. Bij het ontwerp van de fabriek wordt al rekening gehouden met toekomstige verbeteringen: machines worden vervangen zodra efficiëntere exemplaren beschikbaar komen. Durant raakt na zijn gedwongen vertrek bij General Motors overtuigd dat hij een nieuw automerk nodig heeft om terug te keren. Hij zoekt samenwerking met Louis Chevrolet, een Zwitsers-Franse coureur en technisch talent die naam heeft gemaakt met succesvolle races en technische ontwikkelingen. Met financiële steun van onder andere DuPont, geregeld door John J. Raskob van de DuPont financiële commissie, bereidt Durant de oprichting van een nieuw automerk voor.
    Verkopen top 8:

  • 1 Ford Motor Company 32.053 Model T begint de markt te veroveren

  • 2 Buick 30.525 Sterk merk vóór de opkomst van Chevrolet

  • 3 Willys-Overland 15.598 Overland was één van de grootste volumemerken

  • 4 Studebaker / E-M-F 15.020 Studebaker stapte vanuit koetsen naar auto's

  • 5 Cadillac 10.039 Luxe/premium, onderdeel van GM

  • 6 Maxwell 10.000 Later onderdeel van Chrysler

  • 7 Brush Runabout 10.000 Lichtgewicht auto, onderdeel van de vroege GM-groep

  • 8 REO Motor Car Company 6.588 Opgericht door Ransom E. Olds

  • 1911: Nadat de vrouw van een vriend overlijdt als gevolg van een ongeluk tijdens het aanslingeren van een automotor, geeft Henry Leland opdracht een veilige elektrische starter te ontwikkelen. Hij sluit hiervoor een contract met de Dayton Engineering Laboratories Company (DELCO) van Charles Kettering voor de levering van 4.000 elektrische startmotoren. Cadillac introduceert deze elektrische startmotor op de modellen van 1912 en maakt daarmee het gevaarlijke aanslingeren grotendeels overbodig. In hetzelfde jaar wint Henry Ford definitief de rechtszaak rond het Selden Patent. De uitspraak maakt een einde aan de licentieclaims die jarenlang boven de Amerikaanse auto-industrie hebben gehangen en geeft fabrikanten meer vrijheid om auto's te bouwen zonder royalty's te betalen. William C. Durant en Louis Chevrolet richten de Chevrolet Motor Company op in Detroit. Chevrolet brengt zijn reputatie als coureur en technisch ontwikkelaar mee, terwijl Durant vooral de commerciële mogelijkheden ziet. De eerste Chevrolet-modellen zijn echter meer gericht op prestaties en luxe dan op de betaalbare massamarkt die Durant voor ogen heeft. De samenwerking tussen de twee mannen verloopt hierdoor steeds moeizamer.

  • 1912: In de Verenigde Staten zijn 33.842 elektrische auto's geregistreerd. De nieuwe Highland Park fabriek, geopend in 1910, gaf Ford de ruimte om de productie sterk op te voeren. Waar Ford in 1910 ongeveer 32.000 Model T's bouwde, steeg dit naar circa 78.000 in 1912. De echte revolutie kwam echter in 1913, toen Ford de bewegende assemblagelijn introduceerde en productieaantallen explosief begonnen te groeien. Meer dan één op de vijf auto's in Amerika is inmiddels een Ford Model T; met circa 78.000 geproduceerde auto's heeft Ford ongeveer 22% van de Amerikaanse markt in handen. Het bedrijf beschikt over ongeveer 3.500 dealers verspreid over het land. In de Highland Park-fabriek worden door ingenieurs zoals Clarence Avery en Charles Sorensen productieprocessen geanalyseerd en verbeterd. Experimenten met efficiëntere materiaalstromen en transportbanden vormen de voorbereiding op de bewegende assemblagelijn die Ford in 1913 introduceert. Deze verbeteringen vormen de directe aanloop naar de bewegende assemblagelijn die een jaar later wordt ingevoerd. John Willys verandert de naam van zijn bedrijf in Willys-Overland Motor Company. Tot en met 1918 blijft Willys-Overland de grootste autofabrikant van de Verenigde Staten na Ford. Carl Wickman, autodealer in Hibbing, Minnesota, gebruikt een onverkochte zevenpersoons Hupmobile om mijnwerkers tegen betaling te vervoeren. Dit initiatief groeit uiteindelijk uit tot Greyhound Lines. Charles Nash besluit zich bij Buick meer te richten op verkoop en bedrijfsvoering en haalt Walter P. Chrysler over van de American Locomotive Company. Op advies van zijn werkgever James Storrow neemt Chrysler contact op met Nash, waarmee de basis wordt gelegd voor zijn latere carrière in de auto-industrie. DuPont betreedt de auto-industrie via investeringen in General Motors. Het chemieconcern levert niet alleen kapitaal, maar ontwikkelt later ook belangrijke materialen voor de auto-industrie, waaronder moderne lakken. De samenwerking met GM helpt het concern groeien en geeft GM toegang tot chemische kennis en financiële slagkracht.
    Verkopen top 10:

  • 1 Ford Motor Company 78.440 Model T domineert steeds sterker

  • 2 Buick 19.000–20.000 Nog steeds de belangrijkste GM-poot

  • 3 Willys-Overland 15.000–18.000 Overland werd een grote volumefabrikant

  • 4 Studebaker 15.000–16.000 Had veel voordeel door de koetsenachtergrond

  • 5 Maxwell Motor Company 12.000–15.000 Later belangrijk voor de oprichting van Chrysler

  • 6 Cadillac 12.000–13.000 Luxe, technisch zeer vooruitstrevend

  • 7 REO Motor Car Company 8.000–10.000 Van Ransom E. Olds

  • 8 Packard 8.000–9.000 Groeiende luxefabrikant

  • 9 Oldsmobile 7.000–8.000 Eén van de oudste automerken

  • 10 Chalmers Motor Company 6.000–7.000 Middelgrote fabrikant

  • 1913: Rond het midden van het jaar gebruikt Ford Motor Company bewegende assemblagelijnen voor de productie van magneto's, motoren en transmissies. Hierdoor daalt de productietijd van een magneto van ongeveer twintig naar vijf minuten. Al snel worden onderdelen sneller aangevoerd dan de monteurs ze kunnen verwerken. Tegen het einde van het jaar worden touwen en lieren gebruikt om complete chassis langs de assemblagelijn te trekken. Ook dit verhoogt de productiviteit aanzienlijk. De assemblagetijd van een compleet chassis daalt hierdoor van ongeveer 12,5 uur naar slechts 2 uur en 40 minuten. Deze werkwijze vormt de basis van de moderne massaproductie en zal de auto-industrie voorgoed veranderen.
    De productie steeg hierdoor al naar zo'n 170.000 Model T's. Ondertussen steeg het aantal Ford dealers naar ruim 6.000. John Willys koopt een licentie om de door Charles Knight ontwikkelde sleeve-valve-motor toe te passen in de Willys-Knight-modellen. De Duesenberg Motor Company wordt opgericht door de Duitse broers Fred en August Duesenberg. Hun auto's groeien uit tot de technisch meest geavanceerde en prestigieuze Amerikaanse automobielen van hun tijd.Louis Chevrolet verlaat zijn eigen bedrijf nadat hij en Durant van mening verschillen over de toekomst van het merk. Chevrolet wil zich richten op technische prestaties en hoogwaardige auto's, terwijl Durant Chevrolet wil omvormen tot een betaalbare concurrent van Ford. Durant behoudt de controle over het bedrijf en gebruikt het succes van Chevrolet om zijn positie binnen de auto-industrie verder uit te bouwen.

  • 1914: De beroemde uitspraak van Henry Ford dat de Model T alleen in iedere kleur leverbaar was, zolang het maar zwart was, wordt werkelijkheid. Tot 1913 is de Model T namelijk nog in verschillende kleuren verkrijgbaar en zwart hoort daar aanvankelijk niet eens bij. De vier beschikbare kleuren zijn gekoppeld aan specifieke carrosserievarianten. Zwart wordt uiteindelijk gekozen vanwege de lagere prijs en de betere duurzaamheid van de lak. Ford installeert een ononderbroken transportketen waarmee de chassis door de fabriek worden getrokken. Aan het einde van het jaar is de bouwtijd van een Model T hierdoor met ongeveer 1,5 uur afgenomen. Henry Ford belooft dat hij iedere koper $50 zal terugbetalen als er aan het einde van het jaar meer dan 300.000 Model T's verkocht zijn. Uiteindelijk verkoopt Ford 308.313 Model T's en keert het bedrijf ongeveer $15 miljoen uit aan de kopers. Door de enorme tijdswinst bij de productie voert Ford een 8-urige werkdag in met een loon van $5 per dag. Hiermee verdubbelt hij ongeveer het salaris van zijn arbeiders. Dit helpt niet alleen zijn personeel, maar ook de markt voor de Model T: zijn eigen werknemers worden potentiële klanten. Het loon van een Ford-arbeider komt overeen met ongeveer het weeksalaris van een Britse fabrieksarbeider. De koopkracht van een Ford-medewerker ligt daarmee ongeveer 2 keer hoger dan die van andere Amerikaanse arbeiders en ongeveer 6 keer hoger dan die van Britse arbeiders, uitgaande van een 6-daagse werkweek. Cadillac introduceert de eerste succesvolle in serie geproduceerde Amerikaanse V8-motor. De 5,4 liter V8 wordt direct een groot succes en er worden in het eerste jaar ongeveer 13.000 exemplaren verkocht. Nadat de Dodge Brothers Motor Company in 1913 wordt opgericht, bouwt Dodge in november 1914 zijn eerste auto: de Model 30. Deze auto introduceert verschillende zaken die later standaard worden in de auto-industrie. De auto heeft een volledig stalen carrosserie, hoewel eerdere voorbeelden hiervan al in 1911 werden gebouwd door onder andere Stoneleigh en BSA, een 12-volts elektrisch systeem dat pas vanaf de jaren 50 algemeen gebruikelijk wordt, een viercilindermotor met 35 pk tegenover de ongeveer 20 pk van de Ford Model T en een moderne glijdende tandwieloverbrenging. Door de inmiddels bekende kwaliteit van Dodge-producten groeit het merk snel en staat Dodge in 1916 al op de tweede plaats van Amerikaanse autofabrikanten. In het eerste productiejaar worden slechts ongeveer 250 auto's gebouwd, maar het jaar daarna stijgt dit aantal al naar 45.000. De prijs ligt echter ongeveer twee keer zo hoog als die van een Model T. Naast auto's bouwt Dodge ook één van de eerste fabriekstestbanen om de kwaliteit van de voertuigen te controleren. Nog voordat de productie gestart is, ontvangt Dodge al ongeveer 22.000 aanvragen voor een dealerschap. Toen later werd gevraagd waarom de Dodge Brothers Ford hadden verlaten, wordt John Dodge vaak geciteerd met de uitspraak: "Denk eens aan al die Ford-eigenaren die straks een auto willen." John Willys koopt de Electric Auto-Lite Company en richt in 1917 de Willys Corporation op om als holdingmaatschappij boven zijn verschillende bedrijven te fungeren.

  • 1915: Sinds 1911 heeft Durant's Chevrolet ongeveer 16.000 auto's geproduceerd. William C. Durant doet een poging om General Motors terug in handen te krijgen en biedt GM-aandeelhouders vijf aandelen Chevrolet voor ieder aandeel GM. De groei van Chevrolet zorgt ervoor dat Durant opnieuw invloed binnen GM krijgt. Western Auto Supply Company, gespecialiseerd in onderdelen voor de Ford Model T, verkoopt in dit jaar voor ongeveer $229.000 aan onderdelen. Door de sterk groeiende vraag opent het bedrijf naast de fabriek in Kansas City een tweede fabriek in Denver om de productiecapaciteit uit te breiden. Een autoband heeft in deze periode gemiddeld een levensduur van ongeveer 9 maanden. Door verbeteringen in rubber, constructie en productie zal dit tegen 1930 zijn toegenomen tot ongeveer 2,5 jaar. De totale jaarproductie van auto's in de Verenigde Staten bedraagt ongeveer 800.000 voertuigen. Ford neemt hiervan bijna de helft voor zijn rekening met 395.000 Model T's. Er rijden inmiddels ongeveer 2 miljoen auto's rond in Amerika. Willys-Overland produceert 91.780 auto's en blijft daarmee de nummer twee autofabrikant achter Ford. Henry Ford chartert het schip SS Oscar II en geeft het de bijnaam het "Peace Ship". Samen met een groep van ongeveer 150 vredesactivisten reist hij naar Europa met het doel om tijdens de Eerste Wereldoorlog te bemiddelen en vrede te bereiken. Ford verklaart: "Ik krijg de jongens uit de loopgraven voor Kerstmis." De missie loopt echter uit op een mislukking en wordt in de pers belachelijk gemaakt. De publieke kritiek en de schade aan Ford's reputatie leiden ertoe dat James Couzens zijn functie bij Ford neerlegt. Hij behoudt wel zijn aandelen en blijft hierdoor financieel zeer succesvol verbonden aan het bedrijf. Packard introduceert de Twin Six, de eerste productieauto van een Amerikaans merk met een V12-motor. Het model bevestigt Packards positie als één van de meest exclusieve autofabrikanten ter wereld. Packard concurreert rechtstreeks met merken als Pierce-Arrow, Cadillac en Europese luxeauto's.

  • 1916: Auguste Rateau suggereert het gebruik van door uitlaatgassen aangedreven compressoren om de prestaties van vliegtuigmotoren op grotere hoogtes te verbeteren. Dit wordt gezien als één van de eerste concrete ideeën voor een turbocharger. Oldsmobile bouwt zijn eerste V8-model. De 4,0 liter V8 wordt echter geen groot succes en verdwijnt snel uit productie. Alfred P. Sloan verkoopt de zeer winstgevende Hyatt Roller Bearing Company aan General Motors voor $13,5 miljoen. Door deze verkoop wordt Sloan financieel onafhankelijk, maar hij is vooral geïnteresseerd in een leidinggevende positie binnen de snel groeiende GM-organisatie. Hij treedt toe tot GM als president van United Motors, een belangrijke producent van auto-onderdelen. De daaropvolgende vier jaar vormen een moeilijke periode voor Sloan, omdat hij moeite heeft met de flamboyante en soms chaotische leiderschapsstijl van William C. Durant. Wanneer Pierre S. du Pont, de chemie-industrieel en financier, in 1920 toetreedt om GM financieel te redden, ziet hij echter direct de managementkwaliteiten van Sloan. Samen zullen Du Pont en Sloan in de jaren twintig de basis leggen voor de industriële grootmacht die General Motors wordt. De Dodge Brothers en andere aandeelhouders klagen Henry Ford aan omdat hij, ondanks enorme winsten, geen dividend uitkeert op de aandelen van Ford Motor Company. Voor de Dodge Brothers betekent dit een gemiste opbrengst van ongeveer $1 miljoen per jaar. Henry Ford is namelijk woedend dat de Dodge Brothers het geld dat zij via hun aandelen verdienen gebruiken om hun eigen autofabriek uit te bouwen. Ford investeert alle winst in verdere expansie, waaronder de bouw van de enorme River Rouge-fabriek. Daarnaast probeert hij de afhankelijkheid van Dodge te beëindigen door eigen productiecapaciteit op te bouwen en personeel in dienst te nemen dat volledig onder zijn controle staat. De rechtbank stelt in 1919 de Dodge Brothers en de andere aandeelhouders in het gelijk en bepaalt dat Ford niet onbeperkt winst mag vasthouden zonder rekening te houden met de belangen van aandeelhouders (Dodge v. Ford Motor Co.). De rechter verplichtte Ford om miljoenen aan dividend uit te keren. Henry Ford was woedend dat hij door de rechter werd gedwongen geld aan de aandeelhouders te geven. Hij wilde 100% eigenaar worden van Ford Motor Company, maar de overige aandeelhouders wilden hun aandelen niet verkopen. Om ze op de knieën te krijgen, verzon hij een meedogenloos plan: In 1919 trad Henry Ford plotseling af als president van Ford Motor Company en droeg het roer formeel over aan zijn zoon Edsel. Vervolgens lekte hij in de pers dat hij een volledig nieuw, concurrerend automerk ging oprichten dat een nóg betere en goedkopere auto zou bouwen dan de Model T. Hij zei dat hij Ford Motor Company links liet liggen en zijn eigen gang zou gaan. Aandeelhouders raakten in paniek. Een Ford Motor Company zonder het genie van Henry Ford was in hun ogen waardeloos, en de dreiging van een nóg betere "Henry Ford-auto" zou het bestaande bedrijf kapotmaken. De aandelenkoers van Ford Motor Company stortte in door het gerucht. Vervolgens stuurde Henry Ford in het geheim tussenpersonen op pad om de nu "waardeloos" geworden aandelen voor een prikkie op te kopen van de geschrokken aandeelhouders. Het bod van een voor de aandeelhouder sonbekende partij was $ 7.500 per aandeel, dit vonden de meesten wel laag en opvallen maar men ging akkoord. Toen hij in juli 1919 eenmaal alle aandelen in handen had (inclusief die van de gebroeders Dodge), schrapte hij zijn plannen voor die zogenaamde "nieuwe auto" en keerde hij gewoon weer terug als baas van zijn eigen bedrijf. Het was een van de slimste en meest doortrapte chantage-acties uit de autogeschiedenis! Onder andere de Dodge Brothers en James Couzens doen hun aandelen van de hand. De Dodge Brothers ontvangen uiteindelijk ongeveer $25 miljoen, oftewel $12.500 per aandeel. Henry Ford, zijn vrouw Clara en zoon Edsel komen als grote winnaars uit de strijd en worden volledige eigenaren van Ford Motor Company, dat op dat moment wordt gewaardeerd op ongeveer een half miljard dollar. Andere autofabrikanten beginnen kredietmogelijkheden aan te bieden om klanten te kunnen laten concurreren met de lage prijs en beschikbaarheid van de Model T. De totale Amerikaanse autoproductie overschrijdt voor het eerst de grens van één miljoen voertuigen. Meer dan de helft daarvan zijn Ford Model T's. Ford produceert 734.811 exemplaren en vanaf 1 augustus kost een Model T Runabout slechts $345. Het brandstofverbruik ligt rond de 20 mpg (ongeveer 1 op 8,5). William C. Durant grijpt opnieuw de macht binnen General Motors, maar hierdoor komt Charles Nash in een moeilijke positie terecht. Durant biedt Nash een salaris van $1 miljoen om aan te blijven, maar Nash weigert. De voormalige GM-president richt zijn aandacht samen met James Storrow (kort voormalig GM-president en later lid van de raad van bestuur tot 1916) en Walter Chrysler op de mogelijkheid om Packard over te nemen. Wanneer Nash hoort dat de erfgenamen van de Jeffery Motor Company met pensioen willen gaan, besluit hij echter deze onderneming te kopen. Hij neemt de Thomas B. Jeffery Company over, bekend van het populaire Rambler-model. Durant probeert ondertussen Walter Chrysler terug te halen naar Buick en doet hem een uitzonderlijk aanbod: $10.000 per maand (ongeveer $165.000 in huidige waarde) met een bonus van $500.000 aan het einde van het jaar, of een aandelenpakket. Chrysler krijgt volledige zeggenschap over Buick zonder inmenging van anderen. Chrysler laat Durant het aanbod nogmaals herhalen en accepteert direct. De Dodge Brothers bouwen ondertussen een modern bedrijf met voorzieningen die voor die tijd uitzonderlijk zijn. De fabriek beschikt over een medische kliniek, een sociale afdeling voor werknemers en een afdeling genaamd de "Playpen", waar werknemers in hun vrije tijd konden sleutelen, experimenteren en nieuwe ideeën konden ontwikkelen. Dit staat in groot contrast met de autoritaire bedrijfsstijl en afdeling met zware jongens van Henry Ford, waarbij controle en discipline centraal staan. Louis Chevrolet richt samen met partners de American Motors Corporation op in Plainfield, New Jersey. Het bedrijf heeft geen relatie met het latere American Motors Corporation (AMC) uit 1954. Chevrolet is op dat moment vooral geïnteresseerd in technische ontwikkeling en het bouwen van hoogwaardige auto's. Chevrolet brengt vooral zijn naam, technische kennis en reputatie als coureur mee, maar de onderneming krijgt nooit de schaal van de grote Amerikaanse fabrikanten. De productie stopt al enkele jaren later.

1919-03-06-detroit-free-press-thu-mar-6-1919-detroit-headline-that-fords-will-leave-the-bu
  • 1917: Chevrolet introduceert zijn eerste V8-motor in de Series D, een 4,7 liter met bovenliggende kleppen die zichtbaar zijn aan de buitenzijde van de cilinderkoppen. Deze motor is technisch vooruitstrevend, maar wordt na de overname van Chevrolet door General Motors in 1918 uit productie genomen omdat GM zich meer gaat richten op betaalbare en economische modellen. Chevrolet zou pas in 1955 opnieuw een V8 introduceren: de beroemde small-block V8. In de Verenigde Staten rijden inmiddels ongeveer 4,8 miljoen voertuigen rond, terwijl de rest van de wereld samen slechts ongeveer 720.000 voertuigen telt. Charles Nash hernoemt zijn onderneming naar Nash Motors. Dankzij een groot overheidscontract voor de levering van vrachtwagens tijdens de oorlogsinspanning groeit Nash sterk en wordt het bedrijf de grootste producent van trucks in de Verenigde Staten. Henry M. Leland en zijn zoon Wilfred verlaten Cadillac en richten de Lincoln Motor Company op. Het bedrijf wordt opgericht om tijdens de Eerste Wereldoorlog Liberty V12-motoren te produceren voor de Amerikaanse oorlogsinspanning. De naam Lincoln wordt gekozen ter ere van president Abraham Lincoln, de eerste Amerikaanse president op wie Henry Leland ooit had gestemd. De fabriek wordt uitgerust met moderne productiefaciliteiten en na afloop van de oorlog besluiten de Lelands om hun kennis en fabriek te gebruiken voor de productie van een nieuwe luxeauto.

  • 1918: Henry Ford draagt formeel de leiding van Ford Motor Company over aan zijn zoon Edsel Ford. In de praktijk blijft Henry echter een dominante rol binnen het bedrijf spelen. Hij blijft zich intensief met de dagelijkse gang van zaken bemoeien en maakt het Edsel moeilijk om zelfstandig leiding te geven. De spanningen tussen vader en zoon zullen de komende jaren blijven toenemen. Chevrolet wordt onderdeel van General Motors. Het merk groeit onder GM uit tot het belangrijkste volumemerk en zal uiteindelijk belangrijker worden dan Buick. Chevrolet wordt de directe concurrent van Ford dankzij betaalbare modellen, efficiënte productie en een brede prijsklasse. Door meningsverschillen over de technische en commerciële koers verliest Louis Chevrolet steeds meer invloed binnen American Motors Corporation. Net als eerder bij Chevrolet ligt zijn interesse vooral bij techniek en prestaties, terwijl investeerders en managers zich richten op productie en verkoop. Het bedrijf blijft zonder grote doorbraak en verdwijnt uiteindelijk begin jaren twintig.

  • 1919: Hudson introduceert het budgetmerk Essex om beter te kunnen concurreren met Ford en Chevrolet. Essex richt zich op betaalbare auto's voor de groeiende middenklasse en wordt uiteindelijk een belangrijk onderdeel van de groei van Hudson. Willys-Overland wordt getroffen door een grote staking die maanden duurt en het bedrijf financieel zwaar onder druk zet. Walter Chrysler neemt na drie jaar ontslag als directeur van Buick. William C. Durant koopt zijn aandelen in General Motors terug voor $10 miljoen. Chrysler begon in 1911 bij Buick met een salaris van $6.000 per jaar en verlaat het bedrijf als één van de rijkste mannen in Amerika. Kort daarna wordt Chrysler door bankiers gevraagd om hun investeringen in Willys-Overland te redden. Hij stelt een uitzonderlijke voorwaarde: een salaris van $1 miljoen per jaar en volledige vrijheid om gedurende twee jaar zijn eigen koers te bepalen, ongeacht het uiteindelijke resultaat. De bankiers accepteren zijn voorwaarden. Chrysler weet Willys-Overland binnen korte tijd weer financieel gezond te maken en bewijst daarmee opnieuw zijn uitzonderlijke kwaliteiten als manager. In 1919 richt General Motors de General Motors Acceptance Corporation (GMAC) op. Hoewel autofinanciering al eerder bestond via dealers en andere kredietconstructies, maakt GM hiermee een grote stap door financiering centraal binnen het eigen concern te organiseren. Klanten kunnen hierdoor hun auto in termijnen betalen, waardoor een grotere groep Amerikanen toegang krijgt tot een nieuwe auto. GMAC wordt daarmee een belangrijk onderdeel van de strategie van General Motors om niet alleen auto's te produceren, maar ook de verkoop ervan actief te ondersteunen. Deze combinatie van productie, distributie en financiering vormt later één van de belangrijkste concurrentievoordelen van GM ten opzichte van Ford. Firestone en Ford werken steeds nauwer samen. Firestone levert banden voor miljoenen Model T's en wordt één van de bekendste voorbeelden van een gespecialiseerde toeleverancier die dankzij massaproductie van auto's zelf ook groot wordt. In 1919 koopt GM een meerderheidsbelang in Fisher Body, waarmee GM meer controle krijgt over het ontwerp en de productie van carrosserieën.

FB_IMG_1640174790379.jpg
Edison-Ford-Firestone.jpg

Edison, Ford en Firestone

  • 1920: William Joseph Stern rapporteert aan de Royal Air Force dat er volgens hem geen toekomst is voor gasturbines in vliegtuigen. Hij baseert zijn conclusie op de zeer lage efficiëntie van de bestaande compressorontwerpen. Door de autoriteit en overtuigingskracht van Stern krijgt het rapport veel invloed en ontstaat er weinig interesse in de ontwikkeling van vliegtuigturbines. Deze conclusie blijkt echter achteraf onjuist; de ontwikkeling van gasturbines zal later juist een revolutie veroorzaken in de luchtvaart. Hydraulische vierwielremmen worden geïntroduceerd en vormen een belangrijke stap vooruit op het gebied van veiligheid en controle over steeds zwaardere auto's. De Amerikaanse autoproductie bedraagt inmiddels ongeveer 2,3 miljoen voertuigen. Frankrijk produceert ongeveer 40.000 auto's en is daarmee de nummer twee producent ter wereld. De totale wereldproductie bedraagt ongeveer 2,4 miljoen voertuigen. Dodge is nog steeds de nummer twee in Amerikaanse autoverkopen. De Dodge Brothers overlijden echter allebei in hetzelfde jaar, kort na elkaar, vermoedelijk als gevolg van complicaties na de Spaanse griep. Het bedrijf komt hierdoor in handen van hun weduwen, die Frederick Haynes naar voren schuiven als nieuwe president. Tijdens de jaren twintig zakt Dodge geleidelijk terug in de verkoopranglijst en eindigt uiteindelijk rond de zevende plaats. Dodge bouwt een sterke reputatie op met lichte vrachtwagens en verkoopt daarnaast ook vrachtwagens van de Graham Brothers uit Indiana. De Graham Brothers zullen later zelfstandig verdergaan als producent van onder andere Graham-Paige en Graham-auto's. De economische recessie brengt John Willys en zijn bedrijf Willys-Overland in grote problemen. De investeerders schakelen Walter P. Chrysler in om orde op zaken te stellen. Chrysler was na zijn conflicten met William C. Durant bij GM met pensioen gegaan, maar had dankzij zijn aandelen in General Motors en spoorwegmaatschappijen voldoende vermogen opgebouwd en was financieel onafhankelijk. Toch accepteert hij de opdracht onder uitzonderlijke voorwaarden: een salaris van $1 miljoen per jaar voor een contract van twee jaar, waarbij hij betaald zal worden ongeacht het uiteindelijke resultaat. Chrysler begint direct met een grondige reorganisatie. De Willys Six wordt als eerste geschrapt; het model blijkt technisch en financieel een groot probleem. Een plan van drie jonge ingenieurs voor een nieuw model wordt door de investeerders terzijde geschoven omdat zij vooral snel herstel willen zien. Chrysler heeft echter een andere visie en wil het nieuwe model zelf ontwikkelen. Terwijl hij nog bij Willys werkt, begint hij het nieuwe model al te promoten als de Chrysler Six, een product van de Willys Corporation. Hierdoor ontstaat een conflict: Willys wil zo snel mogelijk weer volledige controle over zijn eigen onderneming terugkrijgen, terwijl Chrysler bezig is een basis te leggen voor zijn eigen toekomstige automerk. De eerste Lincoln-personenauto wordt in september voltooid. Na het einde van de oorlog heeft Lincoln een moderne fabriek en de ambitie om een luxeautomerk te worden dat kan concurreren met de beste Amerikaanse fabrikanten.

  • 1921: Maxime Guillaume patenteert de "axial-flow gas turbine". Zijn ontwerp gebruikt meerdere stappen in de compressor en turbine, gecombineerd met één grote verbrandingskamer. Het ontwerp vormt een belangrijke theoretische stap richting moderne gasturbines, hoewel de techniek nog tientallen jaren verwijderd is van praktische toepassing. William C. Durant moet voor de tweede keer General Motors verlaten. Op dat moment heeft Ford ongeveer 61% van de Amerikaanse automarkt in handen, terwijl het marktaandeel van GM slechts ongeveer 12% bedraagt. Durant beschikt echter nog steeds over zijn reputatie als zakenman en weet ongeveer $7 miljoen aan kapitaal bijeen te brengen om Durant Motors Inc. op te richten. Hij koopt hiervoor de activa van het failliete Locomobile Corporation in Bridgeport, Connecticut. Met zijn zakelijke netwerk weet Durant snel nog eens $5,5 miljoen aan extra financiering te verkrijgen. Hiermee koopt hij de moderne Elizabeth-fabriek in New Jersey, de voormalige fabriek van Willys-Overland die oorspronkelijk door Duesenberg was gebouwd en tijdens de Eerste Wereldoorlog werd gebruikt voor oorlogsproductie. Bij de overname komt ook het prototype van de Chrysler Six mee, dat oorspronkelijk was ontwikkeld als "A Product of the Willys Corporation". Walter P. Chrysler probeert ondertussen zelf de activa van Willys-Overland over te nemen en doet een bod op de aandelen. De aandeelhouders kiezen echter niet voor Chrysler, waardoor zijn plan mislukt. Zijn strategie om Willys over te nemen keert zich hierdoor tegen hem. Chrysler wordt echter ook benaderd door de noodlijdende Maxwell-Chalmers Motor Company. De aandeelhouders van Willys staan toe dat Chrysler ook daar aan de slag gaat, mede omdat hij inmiddels heeft bewezen dat hij het bedrijf kan reorganiseren. Tijdens zijn periode bij Willys weet Chrysler het tekort van $48 miljoen terug te brengen naar $18 miljoen en hij vertrekt in 1921 met een aanzienlijke beloning. Om geld vrij te maken voor Willys worden onderdelen en fabrieksactiva geveild. Chrysler stuurt een vertegenwoordiger naar de veiling met de opdracht maximaal $5 miljoen te bieden op de Elizabeth-fabriek, die oorspronkelijk ongeveer $14 miljoen waard was. De concurrentie blijkt echter groter dan verwacht en Durant koopt de fabriek uiteindelijk voor $5,2 miljoen. De verkoop van de New Process Gear Company levert daarnaast ongeveer $10 miljoen op. Durant gebruikt zijn nieuwe fabriek voor de productie van de goedkope Durant Star, die in 1922 op de markt komt voor $348. Het Chrysler Six-ontwerp wordt uiteindelijk door Durant verder ontwikkeld tot de Flint uit 1923, maar dit model heeft niet dezelfde technische kwaliteiten als het oorspronkelijke ontwerp van de drie jonge ingenieurs die Chrysler bij Willys had gebruikt. Ford reageert door met de Model T opnieuw onder de prijs van Durant te gaan zitten en zorgt daarmee dat Durant Motors uiteindelijk van de markt wordt gedrukt. Met de ongeveer $15,2 miljoen die Willys uit de verkoop van activa en onderdelen ontvangt, krijgt John Willys de mogelijkheid om zijn onderneming opnieuw op te bouwen en voort te zetten. DuPont introduceert Duco, een sneldrogende lak speciaal aangepast voor de auto-industrie. General Motors gebruikt de nieuwe lak om auto's in meerdere kleuren aan te bieden. De mogelijkheid tot kleurvariatie wordt een belangrijk verkoopargument tegenover Ford, dat de Model T sinds 1914 vrijwel uitsluitend in zwart levert.

  • 1922: In het eerste volledige jaar onder leiding van Alfred P. Sloan verkoopt General Motors ongeveer 457.000 voertuigen en behaalt het bedrijf een winst van $61 miljoen. GM begint hiermee duidelijk de strategie te volgen waarmee het Ford later zal verslaan: niet één goedkoop model, maar verschillende merken en modellen voor verschillende prijsklassen. De noodlijdende Lincoln Motor Company wordt in februari tijdens een gerechtelijke verkoop overgenomen door Ford Motor Company. Henry M. Leland had Lincoln in 1917 opgericht nadat hij Cadillac had verlaten. Het bedrijf was oorspronkelijk opgericht om tijdens de Eerste Wereldoorlog Liberty V12-motoren te produceren. Na het einde van de oorlog beschikte Lincoln over een moderne fabriek en besloten de Lelands luxeauto's te gaan bouwen. De eerste Lincoln-personenauto werd in september 1920 voltooid. Door de moeilijke naoorlogse economie en interne conflicten binnen de aandeelhoudersgroep kwam het bedrijf echter al snel in financiële problemen. Tegen het einde van 1921 verkeerde Lincoln in ernstige moeilijkheden en in februari 1922 werd het bedrijf verkocht aan Ford Motor Company. Op aandringen van Edsel Ford kocht Ford Lincoln voor ongeveer $8 miljoen. Edsel Ford werd president van Lincoln en gaf het merk de richting en uitstraling die het de rest van zijn leven zou behouden. Hij begon direct met het aantrekken van ontwerpen van de beste Amerikaanse carrosseriebouwers om Lincoln opnieuw op te bouwen als luxe concurrent van Cadillac. GM vertrouwt de leiding over Chevrolet toe aan voormalig Ford-medewerker William S. Knudsen. Knudsen brengt zijn kennis van efficiënte productieprocessen mee en maakt Chevrolet met verbeterde assemblagelijnen en moderne productiemethoden competitiever tegenover Ford. Daarnaast profiteert Chevrolet van de kleurrijke lakken die beschikbaar komen dankzij de samenwerking met DuPont. Hiermee kan Chevrolet zich steeds meer onderscheiden van de uitsluitend praktische Model T. In 1922 worden de eerste ballonbanden voor personenauto's geïntroduceerd. Deze banden hebben een lagere bandenspanning dan de traditionele hoge smalle banden, bieden meer comfort en verbeteren de rijeigenschappen. John Willys weet Willys-Overland weer financieel gezond te maken en brengt het bedrijf opnieuw in de zwarte cijfers.

  • 1923: Edgar Buckingham van het United States National Bureau of Standards publiceert een rapport over straalmotoren en gasturbines. Hij komt tot een vergelijkbare conclusie als William Joseph Stern: de bestaande turbinetechnologie is nog onvoldoende efficiënt voor praktisch gebruik in vliegtuigen. Volgens zijn berekeningen verbruikt een turbine ongeveer vijf keer zoveel brandstof als een conventionele zuigermotor. Deze conclusies zorgen ervoor dat de ontwikkeling van vliegtuigturbines tijdelijk weinig aandacht krijgt. Yale ontwikkelt de elektrische heftruck, waarmee intern transport in fabrieken en magazijnen sterk kan verbeteren. In Chicago koopt de directeur van Yellow Cab, Walter L. Jacobs? (correctie: John D. Hertz), een kleine autoverhuurfirma die in 1918 was opgericht en bouwt deze uit tot het Hertz Drive-Ur-Self systeem. Hiermee ontstaat de basis van het latere Hertz Global Holdings autoverhuurbedrijf. Voor het eerst worden in Amerika meer gesloten carrosserieën verkocht dan open modellen. De auto verandert hiermee van een eenvoudig vervoermiddel naar een comfortabeler product voor dagelijks gebruik. Ongeveer de helft van alle auto's wordt inmiddels gekocht via krediet of afbetalingsregelingen. De Verenigde Staten produceren ongeveer 3,7 miljoen auto's. De Ford Model T neemt 52% van deze productie voor zijn rekening. Er rijden inmiddels ongeveer 13 miljoen auto's rond in Amerika en er zijn 108 autofabrikanten actief. Toch wordt 90% van de productie verzorgd door slechts 10 grote fabrikanten. General Motors verkoopt ongeveer 800.000 voertuigen en behaalt een winst van $80 miljoen. Pierre S. du Pont en de andere GM-bestuurders vervangen William C. Durant definitief door Alfred P. Sloan, waardoor Sloan zijn visie op een modern georganiseerd autoconcern verder kan ontwikkelen. Onder Sloan groeit GM uit tot het bedrijf dat Ford uiteindelijk van de eerste plaats zal verdringen.

  • 1924: Walter P. Chrysler introduceert bij Maxwell-Chalmers zijn eigen versie van de Chrysler Six. Om de ontwikkeling en productie mogelijk te maken leent hij $5 miljoen bij Chase Securities. Chrysler gebruikt Maxwell als basis voor de oprichting van zijn eigen automerk. Voor het tweede jaar op rij produceert Ford meer dan 2 miljoen Model T's. De prijs van de Model T daalt verder naar $290. Meer dan de helft van alle auto's ter wereld is inmiddels een Model T. De eigenaren van Auburn verkopen het merk aan E. L. Cord, die het merk onderdeel maakt van zijn groeiende autoconcern. Vincent Bendix richt Bendix Corporation op. Het bedrijf ontwikkelt onderdelen voor de auto-industrie, waaronder startersystemen, remsystemen en later ook luchtvaarttechniek. Bendix wordt één van de belangrijkste Amerikaanse toeleveranciers en levert technologie aan vrijwel alle grote autofabrikanten.

  • 1925: De Zweedse ingenieur Jonas Hesselman presenteert zijn Hesselman-motor. Dit is de eerste praktische toepassing van een direct ingespoten benzinemotor met vonkontsteking. De motor combineert eigenschappen van een dieselmotor en een benzinemotor en wordt later vooral toegepast in vrachtwagens en schepen. De Maxwell Motor Company wordt omgevormd tot de Chrysler Corporation. Walter P. Chrysler verkoopt in 1925 ongeveer 80.000 auto's onder de Maxwell-naam en daarnaast 32.000 auto's onder de naam Chrysler. Het bedrijf behaalt een winst van $17 miljoen, waarmee Chrysler direct de lening van Chase Securities terugbetaalt. In Waltham, Massachusetts ontwikkelt Francis Davis de eerste effectieve stuurbekrachtiging. Hij bouwt zijn systeem in een Pierce-Arrow uit 1921. Hoewel het systeem technisch werkte, duurt het nog tientallen jaren voordat stuurbekrachtiging breed wordt toegepast. De eerste succesvolle toepassingen vinden plaats tijdens de Tweede Wereldoorlog in zware militaire voertuigen en de eerste productiemodellen met stuurbekrachtiging verschijnen pas vanaf 1951. Het gemiddelde Amerikaanse brandstofverbruik bedraagt inmiddels ongeveer 473 gallon per jaar. De Ford Model T Roadster kost nog slechts $260 en wordt verkocht via 10.000 dealers in heel Amerika. De erfgenamen van John en Horace Dodge verkopen Dodge Brothers voor $146 miljoen aan de investeringsbank Dillon, Read & Co. Kort daarna breidt Dodge zijn positie in bedrijfswagens uit door op 1 oktober een belang van 51% te kopen in Graham Brothers, een fabrikant van vrachtwagens. De Graham Brothers blijven tot hun vertrek in 1927 betrokken bij het management. Het merk Graham Brothers blijft bestaan tot de overname door Chrysler in 1929. Wilhelm Pape patenteert een ontwerp voor een constant-volume-motor. John Willys koopt de F. B. Stearns Motor Company uit Cleveland en start de productie van de luxe Stearns-Knight. Deze auto's zorgen voor aanzienlijke winsten en worden gezien als concurrenten van merken als Pierce-Arrow en Duesenberg.

  • 1926: Alan Arnold Griffith publiceert zijn baanbrekende studie Aerodynamic Theory of Turbine Design. Deze publicatie zorgt ervoor dat het vertrouwen in de mogelijkheden van straalmotoren en gasturbines langzaam terugkeert. Griffith toont aan dat de bestaande compressors het grootste probleem vormen en dat belangrijke verbeteringen mogelijk zijn door compressorbladen niet als vlakke platen uit te voeren, maar als aerodynamische draagvlakken. Hij bewijst vervolgens wiskundig dat een praktische gasturbine mogelijk is en bouwt een experimentele turboprop om zijn theorie te ondersteunen. Robert Goddard lanceert de eerste vloeistof aangedreven raket, een belangrijke stap in de ontwikkeling van de moderne ruimtevaart. Op 1 mei verwerft Dodge de resterende 49% van Graham Brothers en krijgt daarmee volledige controle over het bedrijf. De Graham-familie blijft leidinggevende functies binnen Dodge vervullen, terwijl de productie van vrachtwagens verder wordt geïntegreerd. De productie van Overland wordt beëindigd en vervangen door het nieuwe merk Whippet. Willys-Overland brengt hiermee een kleine viercilinderauto op de markt waarmee John Willys denkt de concurrentie met Ford aan te kunnen gaan. De prijzen liggen tussen $525 en $850. Tijdens de introductiedag bezoeken ongeveer 14 miljoen mensen de showrooms van Willys. De verkopen ontwikkelen zich aanvankelijk zeer positief. De lichte auto wordt aangedreven door een compacte viercilindermotor met 35 pk, die ondanks zijn kleine formaat voldoende prestaties levert. Deze motor blijkt later van groot historisch belang: de zogenaamde "Go-Devil" wordt uiteindelijk de basis voor de motoren die tienduizenden Jeeps aandrijven. De succesvolle kleine auto onderstreept voor Edsel Ford dat Ford moet vernieuwen om de concurrentie bij te houden. De nieuwe Willys Whippet zorgt voor een sterke groei. Willys-Overland produceert ruim 320.000 auto's en behaalt een recordomzet van ongeveer $187 miljoen. De nettowinst bedraagt circa $5,9 miljoen. Ondanks dit succes raakt het bedrijf kort daarna in financiële problemen door de economische crisis. Armory Haskell richt de Triplex Safety Glass Company op, gebaseerd op een patent uit 1910 dat hij van de uitvinder heeft gekocht. Veiligheidsglas kost op dat moment $8,80 per 0,1 m², waardoor een complete Cadillac-uitrusting ongeveer $200 extra kost. Henry Ford ziet de toekomst van veiligheidsglas en ondersteunt het bedrijf financieel. In Amerika zijn nog slechts 43 autofabrikanten actief. Na 1926 treedt geen enkele nieuwe grote Amerikaanse autofabrikant meer toe tot de markt. General Motors introduceert Pontiac als nieuw merk naast Oakland. De Amerikaanse autoproductie bereikt ongeveer 4 miljoen voertuigen. Door de toenemende concurrentie van Chevrolet introduceert Ford de Model T met elektrische startmotor voor $350. Tien jaar eerder was een startmotor nog een luxevoorziening, maar door de groei van kredietverlening voor auto's is financiering inmiddels volledig ingeburgerd. Aankopen op afbetaling betreffen inmiddels ongeveer twee derde van alle autoverkopen. Met de auto als voorbeeld groeit kopen op krediet snel uit tot een standaardmethode voor de aanschaf van luxeproducten in Amerika. E. L. Cord, eigenaar van Auburn Automobile, koopt Duesenberg en voegt hiermee een prestigieus merk toe aan zijn groeiende autoconcern. Alfred P. Sloan ziet binnen General Motors nog ruimte tussen Buick en Cadillac en vult dit marktsegment met het merk LaSalle. De door Harley Earl ontworpen LaSalle krijgt een slanker en moderner uiterlijk dan de traditionele Cadillac en wordt één van de eerste auto's waarbij styling een belangrijk verkoopargument vormt.

  • 1927: Aurel Stodola publiceert Steam and Gas Turbines. Het werk groeit uit tot hét standaardwerk voor ingenieurs die zich bezighouden met de ontwikkeling van straalmotoren en gasturbines, met name in de Verenigde Staten. Tussen 1927 en 1930 koopt Chevrolet ongeveer 650.000 gebruikte auto's op en vernietigt deze om de verkoop van nieuwe auto's te stimuleren. 1927 is tevens het laatste productiejaar van de Ford Model T. De verkopen zijn nog slechts de helft van die van het voorgaande jaar. Uiteindelijk worden er 15.458.781 Model T's gebouwd. Zelfs voor $200 blijkt de auto nauwelijks nog verkoopbaar; veel kopers geven de voorkeur aan een gebruikte auto met meer comfort en modernere voorzieningen. In Amerika rijden inmiddels ongeveer 20 miljoen auto's rond. Ford ontslaat ongeveer 100.000 werknemers en sluit tijdelijk zijn fabrieken om deze volledig om te bouwen voor de productie van de nieuwe Model A. De Amerikaanse auto-industrie is inmiddels de grootste industrie van het land gemeten naar economische waarde en staat wereldwijd op de derde plaats wat betreft export. Er is één auto voor iedere 4,5 Amerikanen en ongeveer 55% van alle gezinnen bezit een auto. Het aantal autofabrikanten is teruggelopen van 108 naar 44. De explosieve groei van de afgelopen twintig jaar is voorbij en de markt raakt verzadigd. Gebruikte auto's spelen een steeds grotere rol en de verkoop daarvan overtreft inmiddels die van nieuwe auto's. Een tweedehands auto in uitstekende staat kost vaak evenveel als een nieuwe Model T, terwijl een veel modernere Chevrolet slechts ongeveer $200 duurder is. Voor het eerst verkoopt Chevrolet meer auto's dan Ford. Dodge Brothers Inc., dat sinds 1925 eigendom is van investeringsmaatschappij Dillon, Read & Co., wordt vanwege teruglopende verkopen en een gebrek aan ervaring in de automobielindustrie verkocht aan de Chrysler Corporation. De Graham Brothers kopen de Paige-Detroit Motor Car Company voor ongeveer $4 miljoen. Zij produceren voortaan Graham-Paige-personenauto's en bouwen korte tijd ook lichte vrachtwagens. Dodge wijst hen er echter op dat zij zich volgens de verkoopovereenkomst niet langer op de productie van vrachtwagens mogen richten. Graham-Paige behaalt successen in de autosport en ontwikkelt eigen motoren en carrosserieën.

  • 1928: Chrysler adverteert de 112 pk sterke Chrysler Imperial 80 als de krachtigste productieauto van Amerika. Stutz reageert vrijwel direct met een model dat 113 pk levert. Chrysler Corporation introduceert het merk Plymouth om te concurreren met de betaalbare modellen van Ford en Chevrolet. De nieuwe auto's onderscheiden zich door een motor met een relatief hoge compressieverhouding en hydraulische remmen op alle vier de wielen, voorzieningen die in deze prijsklasse nog ongebruikelijk zijn. Plymouth groeit uit tot één van Chryslers belangrijkste merken en blijft bestaan tot 2001. Vanaf de jaren zeventig bestaat het modellengamma echter steeds vaker uit aangepaste Chrysler-, Dodge- en later ook Mitsubishi-modellen. Door het verlies van een duidelijke eigen identiteit besluit Chrysler het merk uiteindelijk op te heffen. De Plymouth Prowler wordt het laatste exclusieve Plymouth-model. De PT Cruiser was oorspronkelijk eveneens als Plymouth ontworpen, maar verschijnt na het verdwijnen van het merk uiteindelijk als Chrysler op de markt. Op 4 augustus introduceert Chrysler het merk DeSoto voor modeljaar 1929. DeSoto wordt gepositioneerd om te concurreren met de middenklassemodellen van Studebaker, Willys en General Motors. Kort na de introductie wordt ook de overname van Dodge Brothers afgerond. Hierdoor beschikt Chrysler plotseling over twee merken in hetzelfde marktsegment, waardoor de positionering van DeSoto moet worden aangepast. Studebaker neemt een controlerend belang in Pierce-Arrow. Beide merken blijven zelfstandig opereren en profiteren van de samenwerking. Pierce-Arrow krijgt toegang tot een groter dealernetwerk en moderniseert zijn modellengamma. De oude zescilindermotor wordt geleidelijk vervangen door een L-head acht-in-lijnmotor. Bendix koopt de rechten op het Bosch-ontwerp voor vierwielige hydraulische remmen in Amerika en helpt daarmee de verspreiding van moderne remsystemen in Amerikaanse auto's.

  • 1929: Door de economische neergang komen verschillende merken van Willys-Overland onder druk te staan. Stearns-Knight, dat John Willys halverwege de jaren twintig aan het concern had toegevoegd, wordt als eerste opgeheven. John Willys treedt onverwacht terug als president van het bedrijf en verkoopt zijn aandelen voor ongeveer $25 miljoen. Hij blijft wel lid van de raad van bestuur. Daarmee verlaat hij het bedrijf nog vóór de beurskrach van 29 oktober. In Amerika worden ongeveer 4,5 miljoen auto's verkocht. General Motors verkoopt daarvan ongeveer 1,9 miljoen voertuigen en behaalt een netto winst van $248 miljoen na belastingen, een record voor het concern. De Grote Depressie doet deze winst in de jaren daarna sterk afnemen; in 1932 bedraagt de winst nog slechts ongeveer een derde van het niveau van 1929. Dankzij zijn sterke financiële positie weet GM de crisis echter relatief goed te doorstaan en blijft het concern ieder jaar dividend uitkeren. Pas in 1939 worden de winstcijfers van 1929 weer geëvenaard. De enorme investeringen die nodig zijn om auto's volgens moderne massaproductiemethoden te bouwen zorgen ervoor dat veel kleinere autofabrikanten verdwijnen. De 'Big Three' – General Motors, Ford en Chrysler – zijn inmiddels samen goed voor ongeveer 80% van alle autoverkopen in Amerika. In het laatste jaar vóór de Grote Depressie produceert de Verenigde Staten ongeveer 5,3 miljoen motorvoertuigen. Dat productieniveau wordt pas in 1949 weer bereikt. Er rijden inmiddels ongeveer 26,7 miljoen motorvoertuigen in Amerika, die samen jaarlijks ongeveer 317 miljard kilometer afleggen. Hudson en Essex produceren gezamenlijk ongeveer 300.000 auto's, inclusief de productie in België en Engeland, waarmee Hudson na Ford en Chevrolet tot de grootste autofabrikanten van dat jaar behoort. E. L. Cord richt het merk Cord op en introduceert de L-29, de eerste voorwielaangedreven Amerikaanse productieauto die in grote aantallen voor het publiek verkrijgbaar is. Durant Motors wordt zwaar getroffen door de beurskrach. William C. Durant probeert het vertrouwen in de aandelenmarkt eigenhandig te herstellen door op grote schaal aandelen te kopen in de hoop andere beleggers gerust te stellen. Zijn plan mislukt echter volledig en hij verliest daarbij vrijwel zijn gehele resterende vermogen. Nash staat dit jaar op de vierde plaats van de Amerikaanse autofabrikanten.

1930-1963

 

  • 1930: Door de Grote Depressie daalt de Amerikaanse autoproductie tot ongeveer 2,4 miljoen voertuigen. In Groot-Brittannië, waar de auto nog altijd grotendeels een luxeproduct is, worden ongeveer 237.000 auto's gebouwd. Daarmee neemt het land de tweede plaats op de wereldranglijst over van Frankrijk, waar ongeveer 230.000 auto's worden geproduceerd. Nieuwkomer Japan bouwt ongeveer 500 auto's. De totale wereldproductie bedraagt ongeveer 4,1 miljoen voertuigen. Het gemiddelde brandstofverbruik in Amerika bedraagt inmiddels ongeveer 599 gallon per auto per jaar. John Willys wordt benoemd tot Amerikaans ambassadeur in Polen. Willys-Overland introduceert een nieuw achtcilindermodel, maar de timing had nauwelijks slechter kunnen zijn. Door de economische crisis is de vraag naar luxe en grotere auto's vrijwel ingestort.

  • 1931: Het merk Whippet verdwijnt en de auto's worden voortaan weer onder de naam Willys verkocht. Amerika beschikt inmiddels over ongeveer 830.000 mijl verharde wegen. De ongeveer 26 miljoen motorvoertuigen leggen gezamenlijk jaarlijks al circa 347 miljard kilometer af. De laatste auto's van Durant Motors rollen van de band. William C. Durant had met de merken Star, Durant en Locomobile geprobeerd een nieuwe concurrent van General Motors op te bouwen, maar slaagt daar niet in. Zelfs zijn laatste onderneming, een bowlingbaan, gaat binnen een jaar failliet. Durant brengt de rest van zijn leven, tot zijn overlijden in 1947, financieel bescheiden door. Alfred P. Sloan zorgt ervoor dat hij financiële ondersteuning ontvangt en ook Walter P. Chrysler helpt zijn voormalige leermeester. Ondanks zijn financiële ondergang behoudt Durant zijn waardigheid, optimisme en persoonlijke charme.

  • 1932: Pontiac levert gedurende één jaar nog de V8-motor van voorganger Oakland. Deze achtcilinder wordt echter al snel vervangen door een soepelere en modernere lijn achtcilinder. Door de Grote Depressie komt ook de Amerikaanse luxeautomarkt zwaar onder druk te staan. Fabrikanten die zich jarenlang op de rijkste klanten hebben gericht, zien hun verkopen sterk teruglopen. Ook Packard probeert zijn positie te beschermen door goedkopere modellen aan te bieden en daarmee een groter publiek te bereiken. Dit is een belangrijke strategiewijziging voor een merk dat bekendstaat als de "Rolls-Royce van Amerika", maar door de economische omstandigheden gedwongen wordt zich lager in de markt te positioneren. Binnen General Motors ontstaat een vergelijkbare discussie over de toekomst van Cadillac.In juni bespreekt Alfred P. Sloan met het managementteam van General Motors de toekomst van Cadillac. Door de crisis staat het voortbestaan van het merk ter discussie. Een van de opties is om Cadillac te laten verdwijnen en LaSalle als nieuw topmerk van GM te positioneren; een andere mogelijkheid is om Cadillac, naar voorbeeld van Packard, lager in de markt te plaatsen om meer klanten te bereiken. Een jonge ingenieur, Nicholas Dreystadt, vraagt om tien minuten spreektijd waarin hij zijn voorstel presenteert om Cadillac juist te redden. Zoals bij veel autofabrikanten in die tijd worden potentiële klanten gediscrimineerd bij de verkoop. Cadillac verkoopt zijn auto's officieel niet aan zwarte Amerikanen. Dreystadt wijst het management erop dat veel invloedrijke zwarte Amerikanen toch Cadillacs bezitten, vaak gekocht via een blanke tussenpersoon. Volgens hem betekent dit dat er een winstgevende markt wordt genegeerd. In dit kleine maar zeer winstgevende luxesegment kan een beperkte uitbreiding van de klantenkring al grote financiële gevolgen hebben. Dreystadt krijgt achttien maanden de tijd om zijn plan uit te voeren. Tegen 1934 is Cadillac opnieuw winstgevend en rond 1940 zijn de verkopen met ongeveer 1.000% gestegen. Naast een belangrijke stap richting minder discriminerende verkooppraktijken wordt het Dreystadt-initiatief gezien als één van de eerste succesvolle voorbeelden van nichemarketing in de auto-industrie. Hudson begint met het uitfaseren van Essex en introduceert hiervoor de Terraplane. In 1932 en 1933 worden beide modellen nog verkocht als Essex-Terraplane; vanaf 1934 verschijnt alleen nog de naam Terraplane. Om het nieuwe merk onder de aandacht te brengen wordt luchtvaartpionier Amelia Earhart ingezet als ambassadeur. Willys-Overland trekt zich terug van de Canadese markt. Nash beschikt met de Ambassador over een kwalitatief zeer hoogwaardig product, dat zelfs de bijnaam "Kenosha Duesenberg" krijgt. Charles Nash treedt terug als president van Nash Motors en wil George W. Mason aantrekken als executive vice president. Om Mason binnen te halen moet Nash echter eerst Kelvinator overnemen, omdat Mason daar leiding geeft.

  • 1933: De productie van Willys-Knight wordt beëindigd en Willys-Overland komt opnieuw dicht bij een faillissement. John Willys keert direct terug naar het bedrijf om opnieuw te proberen de onderneming te redden. Pierce-Arrow presenteert de spectaculaire Silver Arrow aan het publiek. Deze extreem luxe en futuristisch vormgegeven auto kost tijdens het dieptepunt van de Grote Depressie $10.000. Er worden uiteindelijk slechts vijf exemplaren gebouwd. De auto wordt ontwikkeld door Pierce-Arrow, maar de productie van de carrosserie vindt plaats bij Studebaker. Beide bedrijven werken ook samen aan een goedkopere en eenvoudiger uitgevoerde versie, maar ook dit model weet de verkoop niet te redden. De reclamecampagne rond de Silver Arrow gebruikt de slogan: "Suddenly it's 1940", waarmee Pierce-Arrow de futuristische uitstraling van de auto benadrukt. Door de aanhoudende economische problemen stopt Marmon met de productie van personenauto's. Het merk was één van de pioniers die onder andere de binnenspiegel in de auto-industrie introduceerde.

  • 1934: In Groot-Brittannië wordt Morris Motors de eerste Britse autofabrikant die gebruikmaakt van een lopende band voor de productie van auto's. De Britse automarkt blijft echter beperkt door verschillende factoren: een relatief ongelijke inkomensverdeling, de beschikbaarheid van goed openbaar vervoer en de Britse nadruk op kwaliteit en traditionele productie. Hierdoor blijft de auto vooral een luxeproduct en is er lange tijd onvoldoende volume om Amerikaanse massaproductiemethoden volledig over te nemen. De Britse auto-industrie blijft daardoor sterk gericht op kleinere series en gespecialiseerde modellen.

  • 1935: Oklahoma City wordt de eerste stad ter wereld waar parkeermeters worden geplaatst. Sinds 1900 zijn wereldwijd inmiddels ongeveer 50 miljoen motorvoertuigen geproduceerd. In Amerika is er gemiddeld één auto per vijf inwoners. De vakbond voor werknemers in de auto-industrie, de United Automobile Workers (UAW), wordt opgericht en zal later een grote rol spelen in de arbeidsverhoudingen binnen de Amerikaanse auto-industrie. John Willys overlijdt aan een hartaanval kort nadat hij na zijn periode als ambassadeur in Polen terugkeert naar Amerika. Hij had na zijn scheiding plannen om opnieuw een actieve rol te spelen binnen zijn oude bedrijf, Willys-Overland. Packard introduceert de One Twenty, een goedkopere achtcilinder die bedoeld is om nieuwe klanten aan te trekken tijdens de economische crisis. Het model wordt een groot succes en verkoopt veel beter dan de traditionele dure Packards. Het succes redt Packard financieel, maar verandert ook blijvend het imago van het merk: Packard is niet langer uitsluitend een fabrikant van exclusieve luxewagens.

  • 1936: De Franse ingenieur René Leduc herontdekt het ontwerp van René Lorin uit 1908 en demonstreert succesvol de werking van een stuwstraalmotor (ramjet). Een ramjet heeft geen bewegende delen zoals een compressor of turbine, maar gebruikt de snelheid van het voertuig om lucht samen te persen voordat deze wordt verbrand. De motor kan echter niet zelfstandig vanuit stilstand functioneren en heeft eerst een hoge beginsnelheid nodig. Het ontwerp van Leduc vormt een belangrijke stap in de ontwikkeling van straalaandrijving en wordt later verder ontwikkeld voor hogesnelheidsvliegtuigen en raketvliegtuigen. De oprichting van de Ford Foundation: Belastingbesparing behoudt het Ford-imperium. Om te voorkomen dat de familie Ford na het overlijden van oprichter Henry Ford het bedrijf zou moeten verkopen door torenhoge erfenisbelastingen (tot 70%), richten Henry en zijn zoon Edsel in 1936 de Ford Foundation op. Via een slimme constructie schonk de familie 95% van de aandelen (zonder stemrecht) belastingvrij aan de stichting. De overige 5% van de aandelen — met álle stemrechten — bleef bij de familie. Hierdoor bespaarde de familie Ford meer dan $ 321 miljoen aan belastingen en behielden zij de volledige controle over de autofabriek. De Ford Foundation zou uitgroeien tot een van de rijkste filantropische instellingen ter wereld. Ondanks dat de opzet in 1936 gedreven werd door een hele slimme belastingconstructie, is de Ford Foundation uitgegroeid tot een van de grootste en meest invloedrijke liefdadigheidsinstellingen ter wereld. In de eerste jaren (tot medio jaren '40) richtte de stichting zich vooral op lokale projecten in Michigan — zoals het financieren van scholen, het Henry Ford Hospital en de ontwikkeling van het Edison Institute (het bekende Henry Ford Museum). Na het overlijden van Henry Ford (1947) en Edsel Ford (1943) erfde de stichting die gigantische stapel aandelen. De stichting werd daardoor in één klap immens rijk. Onder leiding van de commissie-Gaither verlegde de stichting haar koers van lokaal naar wereldwijd filantropisch werk. De belangrijkste gebieden waar de Ford Foundation honderden miljoenen (en later miljarden) dollars aan heeft geschonken zijn onderwijs en wetenschap, mensen- en burgerrechten en cultuur en media (denk aan PBS en Sesame Street (Sesamstraat)), armoedebestrijding en landbouw. Hoewel Henry Ford II in 1956 aftrad en het autobedrijf en de stichting in de jaren '70 volledig van elkaar zijn losgekoppeld (de stichting bezit al lang geen Ford-aandelen meer), bestaat de Ford Foundation nog steeds. Het is vandaag de dag nog altijd een van de rijkste private stichtingen ter wereld (met een eigen vermogen van meer dan 16 miljard dollar) en ze keren jaarlijks honderden miljoenen dollars uit aan projecten voor sociale rechtvaardigheid, mensenrechten en armoedebestrijding.

  • 1937: Sir Frank Whittle voert de eerste succesvolle test uit van zijn WU-gasturbine met straalaandrijving. Whittle had al in 1928 als jonge RAF-officier ideeën ontwikkeld voor een straalmotor en kreeg in 1930 patent op zijn ontwerp. Zijn vroege ideeën kregen weinig steun omdat veel deskundigen, mede door eerdere negatieve rapporten zoals dat van William Joseph Stern uit 1920, ervan overtuigd waren dat gasturbines te inefficiënt waren voor vliegtuigen. De succesvolle test van Whittle bewijst echter dat een praktische straalmotor mogelijk is en vormt een belangrijke stap richting de moderne straaljager. In Duitsland test Hirth-Heinkel Versuchsbau in maart de HeS 1, een experimentele centrifugale straalmotor die op waterstof werkt. Oldsmobile introduceert de automatische veiligheidstransmissie (Automatic Safety Transmission), een voorloper van de latere Hydra-Matic. Hiermee blijft Oldsmobile een belangrijk testmerk voor GM-techniek.

  • 1938: Joseph W. Frazer stapt over van Chrysler naar Willys-Overland. Hij ziet dat de bestaande viercilindermotor, de Go Devil, niet bestand is tegen het zware gebruik dat de toekomstige militaire Jeep tijdens de Tweede Wereldoorlog zal krijgen. Ex-Studebaker ingenieur Delmar G. Roos krijgt de opdracht om de motor grondig te verbeteren. De oorspronkelijke motor kan slechts ongeveer twee uur onder zware belasting functioneren, maar na twee jaar ontwikkeling weet Roos de levensduur te verhogen tot ongeveer 150 uur. Dit was uiteraard onder zware duurtest omstandigheden. De verbeterde Go Devil-motor is hiermee klaar voor de zware eisen van militair gebruik en zal later één van de bekendste Amerikaanse oorlogsmotoren worden. De auto-industrie heeft nog steeds zwaar te lijden onder de gevolgen van de Grote Depressie en produceert wereldwijd ongeveer 4 miljoen voertuigen. De Verenigde Staten blijven de grootste producent, maar de productie ligt met ongeveer 2,5 miljoen auto's nog ver onder het niveau van 1929. Groot-Brittannië produceert ruim 10% van de wereldproductie met ongeveer 445.000 voertuigen. Japan bouwt ongeveer 24.000 auto's. Pierce-Arrow is de enige grote Amerikaanse luxefabrikant die nooit een goedkoper model introduceert om extra inkomsten te genereren. Hierdoor blijft het merk kwetsbaar en moet het in 1938 faillissement aanvragen. Alle bezittingen worden op 13 mei 1938 geveild. Graham-Paige introduceert een nieuw model dat door de pers zeer positief wordt ontvangen en meerdere ontwerpprijzen wint. Het publiek waardeert de vormgeving echter minder, waardoor de verkopen tegenvallen. In drie jaar tijd worden slechts ongeveer 6.000 tot 13.000 exemplaren verkocht. Edsel Ford introduceert het nieuwe merk Mercury om het gat tussen het betaalbare Ford en het luxe Lincoln op te vullen. Mercury richt zich aanvankelijk op krachtigere en sportievere auto's en wordt een belangrijk onderdeel van Ford's strategie voor verschillende marktsegmenten. Het merk blijft bestaan tot 2010, maar de laatste jaren bestaan de modellen grotendeels uit Ford-modellen met een aangepast uiterlijk en Mercury-logo. De sportieve reputatie van het merk wordt in 2003 nog kort nieuw leven ingeblazen met de Mercury Marauder.

  • 1939: De Duitse vliegtuigbouwer Heinkel maakt de eerste vlucht met de Heinkel He 178 V1, het eerste vliegtuig ter wereld dat uitsluitend door een straalmotor wordt aangedreven. Het prototype wordt aangedreven door de Heinkel-Hirth HeS 3 turbojetmotor van Hans von Ohain. Hiermee bewijst Duitsland dat straalaandrijving praktisch toepasbaar is en begint een nieuwe periode in de luchtvaartgeschiedenis. General Motors introduceert de eerste succesvolle volledig automatische transmissie voor personenauto's: de Hydra-Matic. De transmissie is exclusief leverbaar op Oldsmobile. GM kiest bewust voor Oldsmobile als proefmerk; mocht de techniek problemen geven, dan zou de reputatie van Cadillac als "Standard of the World" niet beschadigd worden. De introductie blijkt echter een groot succes. Door de positieve reacties en betrouwbare werking wordt de Hydra-Matic vanaf 1941 ook beschikbaar in Cadillac-modellen. De Amerikaanse automarkt blijft sterk geconcentreerd. De "Big Three" — General Motors, Ford en Chrysler — beheersen opnieuw ongeveer 90% van de markt. De resterende 10% wordt verdeeld over onafhankelijke fabrikanten zoals Hudson, Nash, Packard, Studebaker en Willys-Overland. Graham-Paige sluit een overeenkomst met Hupp Motor Car Company om gezamenlijk een nieuwe auto te bouwen op basis van de revolutionaire Cord 810/812. Huppmobile heeft de productiemallen van Cord gekocht, maar beschikt niet over voldoende financiële middelen om de auto zelf te produceren. Graham-Paige stemt ermee in om de Hupmobile Skylark te bouwen in ruil voor het gebruik van de Cord-mallen voor een eigen model: de Graham Hollywood. Het ontwerp wordt gemaakt door John Tjaarda, de ontwerper van de Lincoln Zephyr. Het oorspronkelijke ontwerp met de karakteristieke verzonken koplampen, voorwielaandrijving en gestroomlijnde carrosserie wordt echter vereenvoudigd. De Hollywood krijgt conventionele losse koplampen en achterwielaandrijving in plaats van het originele voorwielaangedreven Cord-concept. De belangstelling is aanvankelijk groot en de bestellingen stromen binnen, maar productieproblemen zorgen voor enorme vertragingen. Uiteindelijk krijgt Huppmobile de problemen niet opgelost en moet het bedrijf de deuren sluiten.

  • 1940: Op 11 juli geeft het Amerikaanse leger opdracht aan 135 fabrikanten om een licht militair voertuig te ontwerpen dat voldoet aan de eisen van defensie. Fabrikanten krijgen slechts 11 dagen om een ontwerp in te dienen. Daarna volgt een periode van 49 dagen om een prototype te bouwen, waarna binnen 75 dagen 70 testvoertuigen moeten worden geleverd. Uiteindelijk dienen alleen American Bantam en Willys-Overland een officieel bod in. Bantam krijgt de eerste opdracht, ondanks het lagere bod van Willys-Overland, omdat het bedrijf zich als enige volledig verplicht om het prototype en de eerste 70 voertuigen op tijd te leveren. Bantam beschikt echter niet over de financiële en productiecapaciteit om op grote schaal voertuigen te bouwen en een betrouwbare bevoorrading te garanderen. Daarom besluit het Amerikaanse leger de ontwerpen en specificaties ook beschikbaar te stellen aan Willys-Overland en Ford. Beide bedrijven kunnen tijdens de testperiode van de Bantam BRC verbeteringen doorvoeren. Ford ontwikkelt verschillende verbeteringen die later worden meegenomen in de Willys-versie. In november 1940 leveren ook Ford en Willys hun prototypes af: de Ford GP (Government Passenger Car) en de Willys MA (Military Model A), naast de Bantam BRC 40. Omdat de militaire vraag inmiddels sterk is toegenomen, krijgen alle drie de fabrikanten opdracht om elk 1.500 voertuigen te bouwen voor verdere tests. Na de levering van de laatste BRC 40 stopt American Bantam met de productie van het voertuig. De verdere ontwikkeling van de Jeep wordt uiteindelijk gebaseerd op het Willys-ontwerp, vooral vanwege de krachtige Go Devil-motor. De Ford- en Bantam-versies leveren echter ook belangrijke onderdelen en ontwerpdetails die later in de productie-Jeeps worden toegepast. Het gemiddelde jaarlijkse brandstofverbruik per voertuig in Amerika stijgt inmiddels tot ongeveer 733 gallon. General Motors beëindigt de productie van LaSalle. Hoewel LaSalle beter verkoopt dan Cadillac, wil GM voorkomen dat een goedkoper model de exclusieve uitstraling van Cadillac aantast. De introductie van de Packard One Twenty heeft laten zien dat een goedkoper luxemodel grote aantallen kan verkopen en daarmee mogelijk het prestige van het hoofdmerk vermindert. Packard verkocht 72% meer One Twenty-modellen dan de overige Packard-modellen samen. GM besluit daarom de strategie om te draaien: Cadillac blijft het exclusieve luxemerk en elementen van de LaSalle worden vanaf het modeljaar 1941 ondergebracht bij andere GM-merken.

  • 1941: In juli 1941 besluit het Amerikaanse ministerie van Defensie de productie van de Jeep te standaardiseren en wordt gekozen om de volgende order van 16.000 voertuigen aan één fabrikant toe te wijzen. Per voertuig wordt $740 betaald. Willys-Overland krijgt de opdracht, mede vanwege de sterke en betrouwbare Go Devil-motor. Het voertuig draagt inmiddels de typeaanduiding MB. In oktober blijkt echter dat Willys-Overland niet voldoende voertuigen kan produceren om aan de militaire vraag te voldoen. Ford krijgt daarom eveneens een productiecontract en bouwt de GPW (waarbij de W verwijst naar het Willys-ontwerp). Uiteindelijk produceert Ford ongeveer 280.000 GPW's en Willys-Overland ongeveer 363.000 MB's. Via het Lend-Lease programma worden ongeveer 51.000 Jeeps aan de Sovjet-Unie geleverd. Rond deze periode bezoekt Harley Earl, hoofd van GM's Art and Colour Section, de hangar van Lockheed en ziet daar het nieuwe P-38 Lightning gevechtsvliegtuig. De vormgeving van dit vliegtuig inspireert Earl bij het ontwerpen van de naoorlogse Amerikaanse auto's. De dubbele propellers vinden later hun weerslag in de karakteristieke bumperpunten van Cadillac, die bekend worden als "Dagmars", vernoemd naar de rondborstige televisiepersoonlijkheid Dagmar uit die tijd. De staartvinnen verschijnen voor het eerst op de Cadillac-modellen van 1948. Dit wordt het begin van één van de meest herkenbare designtrends in de Amerikaanse auto-industrie, waarbij vinnen hun hoogtepunt bereiken rond 1959 en 1960. Daarna verdwijnt deze stijlrichting snel, mede door het vertrek van Harley Earl en de invloed van zijn opvolger Bill Mitchell. Ford wordt door de National Labor Relations Board gedwongen om collectieve onderhandelingen met vakbonden mogelijk te maken, waarmee een einde komt aan een lange periode van verzet tegen georganiseerde arbeid binnen het bedrijf. Op 15 mei 1941 maakt de Britse Gloster E.28/39 zijn eerste vlucht. Dit is het eerste Britse straalaangedreven vliegtuig. Het toestel wordt aangedreven door de Power Jets W.1 turbojetmotor, ontwikkeld door Frank Whittle en zijn team. Hiermee bewijst Groot-Brittannië dat de straalmotor niet alleen theoretisch mogelijk is, maar ook praktisch inzetbaar in een vliegtuig.

  • 1942: Max Bentele, een Duitse ingenieur die later een belangrijke rol zou spelen in de ontwikkeling van gasturbines, ontdekt dat turbinebladen kunnen breken wanneer de trillingen binnen het resonantiebereik van het materiaal vallen. Dit fenomeen was in de Verenigde Staten al eerder bekend en werd daar toegepast bij het verbeteren van de betrouwbaarheid van vliegtuigmotoren. Het onderzoek naar trillingen, materiaalbelasting en resonantie werd tijdens de Tweede Wereldoorlog een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van straalmotoren. De Amerikaanse auto-industrie schakelt vrijwel volledig over op oorlogsproductie en produceert ongeveer 20% van het Amerikaanse oorlogsmaterieel met een totale waarde van ongeveer $29 miljard. Fabrikanten zoals Ford, General Motors en Chrysler bouwen onder andere vliegtuigen, vliegtuigmotoren, tanks, vrachtwagens, onderdelen en munitie. De massaproductietechnieken die in de auto-industrie waren ontwikkeld, blijken essentieel voor de enorme schaal waarop de Verenigde Staten oorlogsmaterieel kunnen produceren. Op 18 juli maakt de Duitse Messerschmitt Me 262 zijn eerste vlucht met straalaandrijving. Het toestel gebruikt twee Junkers Jumo 004 turbojetmotoren en wordt daarmee het eerste straaljagerontwerp ter wereld. De ontwikkeling van de Me 262 loopt echter vertraging op door technische problemen, productieproblemen en de prioriteiten van de Duitse oorlogsleiding. Pas in 1944 komt het toestel beperkt in dienst bij de Luftwaffe.

  • 1945: De eerste Volkswagen wordt geproduceerd en zal uitgroeien tot één van de succesvolste automobielen uit de geschiedenis. Het model zal uiteindelijk zelfs het productiesucces van de Ford Model T overtreffen. Het Amerikaanse wagenpark is door de Tweede Wereldoorlog sterk verouderd geraakt. Van de ongeveer 25 miljoen geregistreerde voertuigen in de Verenigde Staten is de helft ouder dan 10 jaar. Na de oorlog profiteren fabrikanten zoals Dodge van de reputatie die zij tijdens de oorlog hebben opgebouwd. Dodge staat bij het publiek en bij terugkerende soldaten bekend als een producent van sterke en betrouwbare vrachtwagens, militaire voertuigen en ambulances. Na de Tweede Wereldoorlog richten industrieel Henry J. Kaiser en auto-industrieveteraan Joseph W. Frazer de Kaiser-Frazer Corporation op. Het bedrijf is één van de weinige nieuwe Amerikaanse autofabrikanten die na de oorlog proberen toe te treden tot een markt die wordt gedomineerd door General Motors, Ford en Chrysler. Kaiser brengt financiële slagkracht en moderne ideeën mee, terwijl Frazer de ervaring uit de bestaande auto-industrie levert.

  • 1946: Sam Baylin ontwikkelt de Baylin-motor, een roterende interne verbrandingsmotor met drie arbeidsfasen en roterende zuigers. Het ontwerp is technisch complex en experimenteel, maar wordt gezien als een vroege voorloper van het principe dat later succesvol wordt toegepast in de Wankelmotor. Willys-Overland introduceert de populaire CJ (Civilian Jeep), de civiele uitvoering van de militaire Willys Jeep. Willys richt zich hiermee op een nieuwe nichemarkt voor terreinwagens en bedrijfsvoertuigen. De CJ blijft uiteindelijk tientallen jaren in productie en vormt de basis voor de latere Jeep-modellen. Graham-Paige start de productie van de 1947 Kaiser-Frazer introduceert de eerste nieuwe naoorlogse Amerikaanse personenauto's. De Kaiser en Frazer modellen vallen op door moderne styling, veel standaarduitrusting en innovatieve marketing. Het bedrijf groeit snel doordat de gevestigde fabrikanten nog met vooroorlogse modellen werken. Daarnaast begint het bedrijf met de productie van landbouwmachines onder de naam Rototiller.

  • 1947: De aandeelhouders van Graham-Paige stemmen ermee in om vrijwel alle automobielactiviteiten en bezittingen over te dragen aan Kaiser-Frazer in ruil voor 750.000 aandelen in het nieuwe bedrijf. De Graham-fabriek aan Warren Avenue in Detroit wordt verkocht aan Chrysler. Chrysler gebruikt de fabriek voor de productie van DeSoto-modellen en later voor de Imperial-modellen uit de modeljaren 1959 tot en met 1961.

  • 1948: De eerste tubeless banden (banden zonder binnenband) worden geïntroduceerd. Deze ontwikkeling verhoogt de betrouwbaarheid en veiligheid van autobanden doordat het risico op plotselinge leegloop door beschadigde binnenbanden sterk vermindert. Preston Tucker introduceert de Tucker 48, ook bekend als de Tucker Torpedo (eigenlijk de naam van het prototype van 1946) . Het model is één van de meest vooruitstrevende auto's van zijn tijd met onder andere een centrale koplamp die meedraait met de voorwielen, een veiligheidsinterieur, een achterin geplaatste zescilinder boxermotor en een aerodynamisch ontwerp. Tucker presenteert de auto als een alternatief voor de gevestigde fabrikanten. Uiteindelijk worden er slechts 51 exemplaren geproduceerd. Er zijn veel theorieën dat de gevestigde "Big Three" (General Motors, Ford en Chrysler) invloed hebben gehad op de problemen rond Tucker, maar de uiteindelijke ondergang van het bedrijf werd ook veroorzaakt door financiële problemen, productieproblemen en een onderzoek door de Amerikaanse Securities and Exchange Commission. Charles Nash, oprichter van Nash Motors en voormalig president van General Motors en Buick, overlijdt.

  • 1949: Het Texaco Combustion Process (TCP) wordt gepatenteerd. In de vroege jaren vijftig ontwikkelen ingenieurs van The Texas Company (tegenwoordig Chevron) een viertaktmotor met directe brandstofinjectie die gebruikmaakt van dit principe. In tegenstelling tot de conventionele viertakt benzinemotor, waarbij de lucht via een normale inlaatklep de cilinder binnenkomt, gebruikt de TCP-motor een inlaatklep met een ingebouwde shroud die de lucht een sterk draaiende, tornado-achtige beweging geeft. Vervolgens wordt de brandstof ingespoten en door een bougie ontstoken. De uitvinders claimen dat de motor kan werken op vrijwel iedere op aardolie gebaseerde brandstof, ongeacht het octaangetal, en zelfs op sommige alcoholhoudende brandstoffen zonder last te krijgen van pingelen. Hoewel de ontwikkeling in de jaren vijftig technisch ver gevorderd is, zijn er geen bekende commerciële toepassingen van het systeem. Packard introduceert zijn eigen automatische transmissie, de Ultramatic. Het systeem is technisch zeer geavanceerd en schakelt soepeler dan de Hydra-Matic van General Motors, maar de acceleratie is traag door de gekozen overbrengingsverhoudingen en de nadruk op comfort. Packard is hiermee de enige onafhankelijke Amerikaanse autofabrikant die volledig zelfstandig een automatische transmissie ontwikkelt. Oldsmobile introduceert de Rocket V8, één van de eerste moderne Amerikaanse overhead valve V8-motoren. De motor wordt een groot succes en geeft Oldsmobile een sportiever imago.

  • 1950: De Amerikaanse auto-industrie produceert ongeveer twee derde van de wereldproductie. Door de enorme naoorlogse vraag naar nieuwe auto's bouwt de Verenigde Staten ongeveer 8 miljoen voertuigen bij een totale wereldproductie van 10,5 miljoen. Groot-Brittannië neemt opnieuw de tweede plaats in met 784.000 geproduceerde auto's. Japan staat nog aan het begin van zijn auto-industrie en produceert slechts ongeveer 32.000 voertuigen. Door de hoge investeringen in massaproductie wordt de schaalgrootte steeds belangrijker. In de Verenigde Staten moeten fabrikanten ongeveer 200.000 exemplaren van één model bouwen om het model winstgevend te maken.Ook rond deze tijd beginnen Amerikaanse bedrijven met de ontwikkeling van krukasloze motorconcepten. Deze experimentele motoren proberen de traditionele zuiger-krukasconstructie te vervangen door alternatieve bewegingsmechanismen om zo minder bewegende delen, een hoger rendement en een compactere constructie mogelijk te maken. Ondanks verschillende veelbelovende ontwerpen bereiken deze systemen uiteindelijk geen grootschalige commerciële toepassing.

  • 1951: Het merk Frazer verdwijnt van de markt na langdurige conflicten tussen Joseph W. Frazer en Henry J. Kaiser over de strategie en toekomst van Kaiser-Frazer. Willys-Overland blijft nog personenauto's produceren tot en met 1955, waarna de nadruk steeds meer komt te liggen op terreinwagens en bedrijfsvoertuigen zoals de Jeep.

  • 1953: Chrysler introduceert in zijn modellen het efficiënte Airtemp airconditioningsysteem. Hiermee is Chrysler General Motors voor, dat vanaf modeljaar 1953 eveneens airconditioning aanbiedt. De Airtemp-systemen worden geroemd om hun compacte bouw en betere prestaties ten opzichte van eerdere systemen. De luxere Chrysler Imperial-modellen krijgen standaard een 12-volts elektrisch systeem, terwijl de overige modellen zowel met 6 volt als 12 volt leverbaar blijven. Daarnaast krijgen de Chrysler-modellen een moderne eendelige voorruit. Chrysler introduceert ook zijn eerste automatische transmissie, de PowerFlite. Kaiser Motors, ontstaan nadat Joseph W. Frazer het bedrijf had verlaten, fuseert met Willys-Overland. Het nieuwe bedrijf gaat verder onder de naam Willys Motors Inc. en richt zich steeds sterker op de Jeep-lijn.

  • 1954: American Motors Corporation (AMC) wordt opgericht door het samengaan van Nash-Kelvinator en Hudson Motor Car Company. Het is één van de grootste industriële fusies in de Amerikaanse auto-industrie tot dan toe. Tussen 1916 en 1922 bestond er overigens al een bedrijf met de naam American Motors Corporation, dat mede was opgericht door Louis Chevrolet, maar dit stond los van het latere AMC. Door de fusie ontstaat de vierde grootste autofabrikant van de Verenigde Staten, met ongeveer $355 miljoen aan bezittingen en $100 miljoen aan werkkapitaal. De nieuwe onderneming combineert de sterke punten van beide merken: Nash brengt zijn ervaring met compacte, efficiënte auto's mee en Hudson zijn reputatie op het gebied van prestaties en techniek. In hetzelfde jaar fuseren ook Studebaker en Packard. Zij hopen gezamenlijk sterker te staan tegenover de Grote Drie en leveren hun nieuwe 320 cubic inch V8-motor en Ultramatic automatische transmissie aan AMC voor de 1955 Nash Ambassador. Packard hoopt te profiteren van het grotere dealernetwerk van Studebaker, terwijl Studebaker gebruik wil maken van de veel sterkere financiële positie van Packard. In de praktijk blijkt Studebaker echter een moeilijk te redden onderneming. Het bedrijf brengt regelmatig de verkeerde modellen op het verkeerde moment uit en kan succesvolle modellen vaak niet in voldoende aantallen produceren. Het oorspronkelijke plan was zelfs om vier onafhankelijke autofabrikanten samen te voegen: Nash, Hudson, Packard en Studebaker. Door het overlijden van George Mason, de president van Nash en de drijvende kracht achter de fusieplannen, komt deze grotere samenwerking echter nooit tot stand.

  • 1955: Wereldwijd worden ongeveer 13,7 miljoen voertuigen geproduceerd. De Verenigde Staten blijven de dominante speler met een productie van 9,2 miljoen auto's. Groot-Brittannië groeit echter sterk en produceert 1,3 miljoen voertuigen, terwijl de Japanse auto-industrie nog klein is maar zich snel ontwikkelt. De Japanse productie is ten opzichte van 1950 meer dan verdubbeld tot 69.000 auto's. Het gemiddelde brandstofverbruik van Amerikaanse automobilisten ligt inmiddels op ongeveer 790 gallon brandstof per auto per jaar. Ford introduceert de Thunderbird als concurrent voor de Chevrolet Corvette. De naam Thunderbird wordt gekozen nadat een Ford-medewerker die betrokken was bij het project als grap een maatpak en een koffiebeker met de naam Thunderbird ontvangt als eerbetoon aan de gekozen naam. Chevrolet introduceert de eerste volledig nieuwe V8 sinds jaren: de small-block 265 cubic inch V8, die later uitgroeit tot de legendarische Chevrolet small-block familie. De motor vormt een belangrijke basis voor de prestaties van Chevrolet in de daaropvolgende decennia. Ongeveer de helft van alle verkochte Amerikaanse auto's heeft nog steeds een zescilindermotor. De Amerikaanse automarkt bereikt een verkoopniveau van ongeveer 7,2 miljoen voertuigen, waarvan minder dan 52.000 geïmporteerde auto's zijn. Chrysler registreert de naam Imperial als zelfstandig merk om rechtstreeks te concurreren met Cadillac en Lincoln. Hoewel Imperial technisch hoogwaardige auto's bouwt, krijgt het merk nooit een volledig eigen identiteit doordat het via Chrysler-dealers wordt verkocht. Dit verzwakt de exclusiviteit en het merk blijft uiteindelijk bestaan tot 1983. In 1990 wordt de naam nog kort opnieuw gebruikt op een Chrysler-model, maar in 1993 verdwijnt Imperial opnieuw. In april maakt Imperial reclame voor de eerste transistorradio die als fabrieksoptie in een auto verkrijgbaar is. De optie kost $150, een aanzienlijk bedrag in die tijd. Om ruimte te creëren voor Imperial beginnen Chrysler, Dodge en Plymouth steeds verder het prijsgebied van DeSoto binnen te dringen, waardoor dit merk steeds meer onder druk komt te staan. Bij American Motors neemt George Romney, vader van de latere presidentskandidaat Mitt Romney, de leiding over. Hij kiest voor een nieuwe strategie waarbij AMC zich richt op kleinere, zuinigere auto's in plaats van rechtstreeks te concurreren met de grote Amerikaanse fabrikanten.

  • 1956: AMC stapt over op een eigen ontwikkelde V8-motor en gebruikt daarbij automatische transmissies van General Motors Hydra-Matic en BorgWarner. Hiermee worden de Packard V8-motor en de Packard Ultramatic-fabrieksautomaat uitgefaseerd vanwege de relatief hoge kosten en de problemen waarmee Packard inmiddels kampt. De samenwerking tussen AMC en Packard blijkt hierdoor van korte duur. Packard probeert ondertussen het merk opnieuw te positioneren door de Clipper-modellen los te maken van het Packard-merk en deze als zelfstandig merk te verkopen. Hiermee volgt men een vergelijkbare strategie als Ford eerder had gedaan met Lincoln-Mercury: een luxemerk met een toegankelijker zustermerk. Door de sterk verslechterde reputatie van Packard, mede veroorzaakt door financiële problemen, kwaliteitsproblemen en de mislukte fusie met Studebaker, blijven de verkopen echter verder dalen. De poging om Clipper als zelfstandig merk te positioneren kan het tij niet meer keren en Packard verliest snel zijn positie als één van de belangrijkste onafhankelijke Amerikaanse autofabrikanten.

  • 1957: Felix Wankel bouwt zijn eerste werkende prototype van de rotatiemotor, de DKM 54. Dit is de eerste grote doorbraak in motorontwikkeling sinds de introductie van de dieselmotor in de jaren 1890. Autofabrikanten tonen direct interesse in het nieuwe concept. De Wankelmotor heeft verschillende voordelen: hij is ongeveer 25% lichter dan een vergelijkbare zuigermotor, loopt zeer soepel door het ontbreken van veel bewegende delen en is goedkoper te produceren. Daartegenover staan nadelen zoals een hoger brandstofverbruik, problemen met afdichting van de rotor en relatief hoge slijtage. Fabrikanten zoals General Motors, Mercedes-Benz en vele anderen investeren grote bedragen in de ontwikkeling van de technologie. Uiteindelijk is alleen Mazda erin geslaagd om de Wankelmotor gedurende langere tijd in productieauto's toe te passen, maar ook daar wordt het nooit een commercieel succes op grote schaal. De elektrische golfkar wordt geproduceerd door Lektro, waarmee een nieuwe markt voor elektrische voertuigen ontstaat die later vooral belangrijk wordt voor recreatie, luchthavens en terreinvervoer. Door de steeds hogere ontwikkelingskosten en de grote productieaantallen die nodig zijn om winstgevend te blijven, worden Nash en Hudson volledig samengevoegd binnen American Motors Corporation. De oorspronkelijke merknamen verdwijnen geleidelijk en Rambler wordt het belangrijkste merk van het nieuwe bedrijf. De verkopen van Rambler ontwikkelen zich aanvankelijk zeer positief, mede doordat AMC zich richt op compacte en zuinige auto's in plaats van rechtstreeks te concurreren met de grote Amerikaanse fabrikanten. In 1969 verdwijnt de naam Rambler echter opnieuw en worden alle modellen onder de merknaam AMC verkocht. Dit zorgt later voor problemen, omdat AMC in de jaren tachtig de vierwielaangedreven Eagle introduceert en deze aanvankelijk als "American Eagle" probeert te positioneren. Door een gebrek aan moderne modellen dalen de verkopen sterk. Banken verliezen het vertrouwen en AMC wordt in 1980 gered door Renault, dat een belang van 59% in het bedrijf neemt. Renault investeert in nieuwe modellen en technologie, terwijl Jeep de succesvolle Cherokee-lijn introduceert. De hoge kosten van het AMC-avontuur dwingen Renault echter zelf tot zware bezuinigingen in Frankrijk, waarbij fabrieken worden gesloten en tienduizenden werknemers hun baan verliezen. Uiteindelijk blijven er voor Renault slechts drie mogelijkheden over: AMC failliet laten gaan, opnieuw grote bedragen investeren of het bedrijf verkopen. Renault-bestuurder Georges Besse blijft aanvankelijk vertrouwen houden in AMC. Volgens hem gaat het de goede kant op: de nieuwe motoren zijn succesvol, de moderne Bramalea-fabriek in Canada is geopend en de nieuwe Jeep-modellen lijken goed te verkopen. In 1986 wordt Besse echter vermoord door de communistisch-anarchistische organisatie Action Directe, als vergelding voor de dood van een lid van deze organisatie tijdens een eerdere confrontatie met een Renault-beveiliger. In 1987 koopt Chrysler, dat al samenwerkingsplannen had met AMC en Renault, American Motors Corporation over. Het bedrijf wordt omgevormd tot de Jeep-Eagle divisie. Chrysler-topman Lee Iacocca is vooral geïnteresseerd in Jeep, maar ziet ook de waarde van het AMC-management, het uitgebreide dealernetwerk en de moderne Bramalea-fabriek. De overname van AMC blijkt uiteindelijk zelfs belangrijk voor het voortbestaan van Chrysler. In hetzelfde jaar stopt de productie van Packard definitief en verdwijnt ook de merknaam Clipper opnieuw van de markt.

  • 1958: Slechts ongeveer 8% van de in de Verenigde Staten verkochte auto's bestaat uit importmodellen. Ongeveer de helft daarvan is afkomstig van Volkswagen, dat met de compacte en zuinige Kever steeds populairder wordt op de Amerikaanse markt. Ford introduceert zijn nieuwe merk Edsel, genoemd naar Henry Fords zoon Edsel Ford. Het merk is bedoeld om het gat tussen Ford en Mercury op te vullen en te concurreren met de middelgrote modellen van General Motors. De introductie wordt echter een grote mislukking. Kopers kunnen moeilijk begrijpen waar Edsel precies in de markt staat: was het een luxere Ford, een goedkopere Mercury of een zelfstandig premiummerk? Daarnaast valt het controversiële ontwerp, met name de verticale grille, niet in de smaak bij het publiek. Ook blijft de kwaliteit achter bij de normale Ford- en Mercury-modellen. Na slechts drie modeljaren verdwijnt Edsel alweer in 1960. De Packard-modellen van 1957 en 1958 zijn in feite sterk aangepaste Studebaker Presidents met extra chroom en Packard-details. De samenwerking tussen Packard en Studebaker heeft het oorspronkelijke luxemerk niet kunnen redden. De laatste Packard rolt in juli 1958 van de band, waarmee een einde komt aan één van de oudste en meest prestigieuze Amerikaanse automerken. Studebaker probeert het vertrouwen van klanten en personeel te behouden door werknemers aan te moedigen hun Packard te verkopen en zelf in Studebakers te gaan rijden. Een belangrijk lichtpunt is de distributieovereenkomst met Mercedes-Benz. Studebaker kan deze samenwerking goed gebruiken om extra inkomsten te genereren en om, mocht de eigen productie ooit stoppen, toch auto's te kunnen blijven verkopen via het dealernetwerk. Er bestaan plannen om de Packard-naam opnieuw te gebruiken voor een Amerikaanse versie van de Franse Facel Vega. Deze luxeauto zou worden uitgerust met een Packard V8-motor en verschillende herkenbare Packard-stijlelementen om het prestigieuze imago van het merk voort te zetten. Het oorspronkelijke Facel Vega-model gebruikt echter een Chrysler V8-motor en Mercedes-Benz maakt bezwaar tegen de importplannen uit angst dat een concurrent binnen het eigen dealernetwerk de samenwerking zou kunnen schaden. Hierdoor komt ook deze laatste mogelijkheid om de Packard-naam nieuw leven in te blazen niet tot stand.

  • 1959: De Amerikaanse auto-industrie bereikt het uiterste van de jaren 50. De 1959 Cadillac is het bekendste voorbeeld van de zogenaamde Jet Age-styling met enorme staartvinnen, veel chroom en een ontwerp dat geïnspireerd was door de luchtvaart. De staartvinnen bereikten bij Cadillac dit jaar hun maximale omvang. Het was tevens het laatste jaar waarin Harley Earl als hoofd van GM Styling invloed had op deze extreme ontwerpstijl; hij ging in december 1958 met pensioen. Zijn opvolger Bill Mitchell zou de komende jaren een meer ingetogen ontwerpfilosofie introduceren. Tegelijkertijd begon de markt te veranderen. De recessie van 1958 had de vraag naar grote luxeauto's geraakt en importmerken zoals Volkswagen wonnen langzaam terrein. De Amerikaanse fabrikanten bleven echter nog sterk gericht op grote auto's en krachtige motoren.

  • 1960: Door de recessie van 1958 vielen de verkopen van DeSoto sterk terug. Chrysler besloot daarom in november 1960 het merk te beëindigen. Door bestaande voorraden onderdelen werden er echter nog maanden nieuwe DeSoto's gebouwd en geleverd aan Chrysler- en Plymouth-dealers die het merk verkochten. Deze dealers kregen geen compensatie en moesten de auto's soms met verlies verkopen. Niet afgeronde bestellingen werden uiteindelijk omgezet in leveringen van Chrysler Windsor-modellen. Uit onderzoek bleek dat veel klanten liever een instapmodel Chrysler kochten dan een DeSoto. Daarnaast had Dodge halverwege de jaren 50 met de Custom Royal steeds meer het terrein van DeSoto betreden, terwijl DeSoto zelf steeds meer op Dodge en Chrysler begon te lijken. In een tijd waarin merkidentiteit essentieel was, betekende dit uiteindelijk het einde van het merk. Chevrolet introduceert de Corvair, Ford de Falcon en Chrysler de Valiant, eerst als apart merk, vanaf 1961 als Plymouth) als antwoord op de groeiende vraag naar compactere auto's. Deze modellen zouden het begin vormen van een nieuwe markt naast de traditionele grote Amerikaanse auto's.

  • 1961: De Amerikaanse en Europese auto-industrie laten zien dat de markt sterk aan het veranderen is. Jaguar introduceert op de Autosalon van Genève de E-Type. De sportwagen, ontworpen door Malcolm Sayer en gebaseerd op de succesvolle D-Type raceauto, combineert een topsnelheid van ongeveer 240 km/u met een veel lagere prijs dan traditionele Europese sportwagens. De E-Type wordt één van de meest iconische sportwagens uit de geschiedenis. Ford introduceert de vierde generatie Thunderbird. Hiermee verlaat Ford het oorspronkelijke sportwagenconcept en verandert de Thunderbird in een persoonlijke luxeauto. Het nieuwe concept blijkt zeer succesvol en creëert een nieuw marktsegment tussen een gewone personenauto en een exclusieve luxeauto. De vraag naar kleinere Amerikaanse auto's blijft groeien. De Ford Falcon, geïntroduceerd in 1960, blijkt een groot succes en verkoopt in zijn eerste volledige verkoopjaar meer dan 400.000 exemplaren. Het succes bevestigt dat de Amerikaanse koper niet langer alleen geïnteresseerd is in steeds grotere auto's. Chevrolet Corvair en Chrysler Valiant spelen eveneens in op deze nieuwe markt. Chrysler start met de bouw van zijn experimentele Turbine Car. Hoewel de ontwikkeling van gasturbines voor auto's al jaren eerder begon, wordt het project in 1961 concreet met prototypes die uiteindelijk door gewone bestuurders getest zullen worden. Studebaker probeert met de Avanti zijn positie op de markt te herstellen. Het door Raymond Loewy ontworpen model krijgt een moderne glasvezel carrosserie en een opvallend ontwerp. Ondanks de positieve reacties kan het model het noodlijdende Studebaker niet meer redden. Bij Willys Motors verschuift de aandacht steeds verder naar Jeep. Het bedrijf was sinds de overname door Kaiser in 1953 sterk afhankelijk geworden van de terreinwagenactiviteiten. In 1961 wordt de controle binnen Kaiser verder aangepast en wordt duidelijk dat Jeep het belangrijkste en uiteindelijk enige levensvatbare onderdeel van het bedrijf is. De traditionele personenauto's van Willys verdwijnen steeds verder naar de achtergrond.

  • 1962: Rambler gebruikte al zes jaar voordat het wettelijk verplicht werd een gescheiden hoofdremcilinder. Ook introduceerde het merk vroeg de moderne schakelvolgorde PRND met de neutraalstand tussen achteruit en vooruit, een indeling die vanaf 1968 verplicht werd. De naam Packard verdween uit de bedrijfsnaam en de organisatie ging verder als Studebaker Corporation. Tegelijkertijd introduceerde Studebaker de revolutionaire Avanti. Er werd zelfs overwogen om het model als Packard of Pierce-Arrow op de markt te brengen, twee historische luxemerken die eerder onder Studebaker vielen.

  • 1963: Willys Motors Inc. veranderde zijn naam in Kaiser-Jeep Corporation. Hiermee verdween de naam Willys uit de autoproductie, hoewel de naam Overland nog regelmatig terug zou keren als aanduiding voor Jeep-uitvoeringen.

 

Ik heb met het bovenstaande niet getracht alles wat er gebeurd is in de geschiedenis van de automobiel te vermelden. Fouten mogen met bewijs gemeld worden, dan pas ik het aan. 1963 is een random gekozen eindjaar... De tekst is samengesteld in 2013/2014 en met AI gecontroleerd, en deels aangevuld, in 2026. 

2026 by Wheels & Chrome

  • Black Facebook Icon
  • Black YouTube Icon
bottom of page