Hudson Racing: Koning van NASCAR en AAA (1951–1954)











































Hudsons Heerschappij: The Fabulous Hudson van de Vroege NASCAR (1951–1957)
De dominantie van de Hudson Motor Car Company in de vroege jaren 50 is een van de meest fascinerende hoofdstukken uit de Amerikaanse autosport. Hudsons NASCAR-succes was niet te danken aan brute pk's of miljoenenbudgetten, maar aan visionaire techniek en revolutionair design. In een tempo waarin grote V8-motoren de norm werden, veegde een zescilinder uit Detroit de vloer aan met de concurrentie.
Het 'Step-down' Ontwerp: Een Technische Revolutie
Toen Hudson in 1951 de Hornet introduceerde, bouwden de ingenieurs voort op het innovatieve Step-down chassis dat voor modeljaar 1948 debuteerde bij de Hudson Commodore. Dit ontwerp was destijds revolutionair: in plaats van de carrosserie traditioneel boven op het chassis te plaatsen, werden de carrosserie en het frame deels samengevoegd tot één dragende structuur (een vroege vorm van de zelfdragende carrosserie). De vloerplaat was verzonken tussen de chassisbalken. Hierdoor stapten inzittenden letterlijk naar beneden om in te stappen — vandaar de naam Step-down. Dit had ingrijpende voordelen voor de racerij:
-
Een extreem laag zwaartepunt.
-
Een ongekende stijfheid van de carrosserie.
-
Een superieur weggedrag, vooral op de onverharde dirt tracks van de vroege NASCAR-kalender.
De Evolutie van de Lijn-Zescilinder
Onder de motorkap lag Hudsons mechanische meesterwerk: de 308 cubic inch (5,0 liter) lijn-zescilinder met een zijklep-ontwerp (L-head of flathead). Hoewel dit concept op papier conservatief leek, bleek de motor extreem betrouwbaar en zeer geschikt voor tuning.
-
1951 (H-145): Uitgerust met een tweetrapscarburateur leverde de motor 145 pk bij 3800 tpm.
-
1952 (Twin-H Power): Hudson introduceerde de legendarische Twin-H versie met dubbele enkeltrapscarburateurs, wat het vermogen direct naar 170 pk tilde.
-
De 7-X Modificaties: Voor de racers ontwikkelde de fabriek later de speciale 7-X upgrades. Met deze vergaande mechanische aanpassingen kon het blok worden opgevijzeld tot een destijds verbluffende 210 pk en meer. Gewoon verkrijgbaar bij de dealer!
NASCAR Gaat 'Coast to Coast' (1951)
In 1938 nam William France de organisatie van de races op Daytona Beach over en organiseerde hij, tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, verschillende autoraces. Hij geloofde dat mensen graag naar races met stockcars zouden komen kijken. Daarom richtte hij op 21 februari 1948 samen met een aantal invloedrijke coureurs en organisatoren de National Association for Stock Car Auto Racing (NASCAR) op.
Bill France Sr. had een helder doel voor ogen: een écht nationale stockcar-serie creëren. Al in het debuutseizoen van 1949 zocht hij de grenzen op buiten het traditionele Zuidoosten met races in Pennsylvania en New York. In 1950 breidde hij het schema uit naar 19 races, inclusief Ohio en Indiana. Maar de absolute mijlpaal volgde op 8 april 1951: NASCAR ging officieel coast to coast.
De Historische Race in Gardena
France voegde de Carrell Speedway toe aan de kalender, een halve mijl lange onverharde baan in Gardena, Californië. Om de verre reis voor te bereiden, vroeg Bill France persoonlijk aan Marshall Teague om de oversteek te wagen. De rest van het veld bestond voornamelijk uit lokale Westkust-rijders; de overige NASCAR rijders reden diezelfde dag een race in Mobile, Alabama (gewonnen door Tim Flock).
Slechts 20 coureurs startten in Californië en volgens de schaarse verslagen haalden er maar zes de eindstreep. Teague domineerde de race volledig in zijn Hudson Hornet — die destijds al lichte fabrieksondersteuning genoot. Hij leidde alle 200 ronden en pakte de historische overwinning, vlak voor Johnny Mantz (de promotor van de race) en George Seeger. Het was de eerste NASCAR-zege ten westen van de Mississippi. Hoewel de Californische coureur Lou Figaro in juni van dat jaar de tweede race op Carrell Speedway won, was Hudsons toon gezet.
De destijds zeer invloedrijke Amerikaanse autojournalist Tom McCahill schreef in Mechanix Illustrated lyrisch over de wegligging van de Step-Down: "This is America’s best road car by far."
De Coureurs: Vakmanschap Boven Bravoure
Hudsons dominantie werd vormgegeven door een unieke generatie coureurs die beschikten over mechanisch respect en tactisch inzicht.
Marshall Teague: De ingenieur achter het stuur
NASCAR-statistieken: 23 starts, 7 overwinningen (1949–1952)
Marshall Teague (22 februari 1921) won races op intelligentie, niet op agressie. Hij begreep exact hoe gewicht zich verplaatste en hoe hij zijn banden moest sparen. In de periode 1949–1952 nam Teague deel aan 23 NASCAR Grand National-races, waarvan hij er maar liefst zeven wist te winnen. Teague was niet alleen een uitzonderlijk coureur, maar ook een visionair. Hij was een van de eersten die begreep dat stockcarracen méér kon zijn dan individuele privé-initiatieven: het kon een verlengstuk worden van fabrieksondersteuning en technische ontwikkeling. Daarmee legde hij de basis voor wat wij nu kennen als fabrieksteams in NASCAR.Hij was de grondlegger van de Fabulous Hudson Hornet. Teague overtuigde het management in Detroit persoonlijk van het potentieel van de Hornet.
De lancering van een legende
Teague dacht niet alleen strategisch op de baan, maar ook daarbuiten. In Daytona Beach liep hij niet zomaar een werkplaats binnen; hij stapte over de drempel van Smokey Yunick’s "Best Damned Garage in Town". Teague herkende Yunicks mechanische genialiteit en overtuigde hem om zijn racewagens te gaan prepareren. De legendarische crew chief Smokey Yunick was de absolute sleutel tot het succes. De tweejarige dominantie (1953-1954), waarin er 24 van de 71 races gewonnen werden (waaronder de Southern 500 in 1954), vestigde Yunicks reputatie als een van de slimste mechanische breinen in de autosport.
Zonder dit initiatief van Teague had Smokey Yunick — die later zou uitgroeien tot een van de meest legendarische crew chiefs uit de Amerikaanse autosporthistorie — wellicht nooit de weg naar NASCAR gevonden.
Marshall Teague was de eerste coureur die een NASCAR-race in de hoogste klasse won met een Hudson. Hij haalde de Hornet direct van het terrein van Milford Motors in Jacksonville, Florida. Hij behaalde de overwinning tijdens de seizoensopener van 1951 op het oude Daytona Beach & Road Course. Daar versloegen Teague en zijn Fabulous Hudson Hornet een deelnemersveld van 55 auto's, waarin veertien verschillende automerken vertegenwoordigd waren. NASCAR-fans gaven hem de bijnaam “King of the Beach”, een titel die hij verdiende omdat hij heel goed strand en asfalt trotseerde met pure snelheid.
Onverslaanbaar buiten NASCAR (AAA-Kampioen)
Teague was, samen met zijn legendarische "Fabulous Hudson Hornet", een van de allergrootste sterren van NASCAR. Hij was bovendien de allereerste penningmeester van de bond. Teague vond echter dat Bill France Sr. te veel geld in eigen zak stak en de coureurs veel te weinig uitbetaalde van de ticketverkoop en de winst van de circuits.
France eiste absolute loyaliteit van zijn coureurs. Je mocht van hem niet meedoen aan races die door concurrerende bonden werden georganiseerd. Teague voelde zich hierdoor enorm beperkt in zijn vrijheid. Teague besloot in 1953 de overstap te maken naar de concurrerende bond AAA (American Automobile Association). Voor Bill France was dit onpardonlijk verraad.
Toen Teague wegging, verbande France hem direct uit NASCAR en schrapte hem (en andere coureurs die hem volgden) uit de officiële NASCAR-klassementen.
Zijn vertrek betekende echter niet het einde van zijn succes met de Hornet. Hij bewees Hudsons universele kracht door in de AAA-klasse met een standaard Hornet door te stoten naar de top. In zowel 1952 als 1954 kroonde Teague zich tot AAA National Stock Car Kampioen, waarmee hij bewees dat de Hornet ook buiten het NASCAR-circuit de absolute maatstaf was. In 1952 alleen al reed hij naar 14 AAA-zeges. Hij reed onder meer races die meetelden voor het toenmalige FIA Wereldkampioenschap, aangezien de Indianapolis 500 tussen 1950 en 1960 deel uitmaakte van dat kampioenschap. Hoewel Teague geen WK-punten scoorde, onderstreept zijn deelname zijn veelzijdigheid en ambitie.
Een tragische reünie
Hoewel de breuk definitief leek, kwamen de wegen van Teague en France in 1959 op een tragische manier weer bij elkaar. Wanneer France eind jaren 50 de gigantische Daytona International Speedway bouwde, zochten de twee weer toenadering. France wilde bewijzen hoe snel zijn nieuwe circuit was en nodigde Teague uit om met een Indy-stijl racewagen het rondesnelheidsrecord te verbreken.
Teague mocht als een van de eersten de nieuwe kombanen testen. Op 9 februari 1959 klokte hij in een Indy-type Sumar Special (Formula Libre) een duizelingwekkende recordronde van 171,820 mph (276,5 km/u). Twee dagen later, op 11 februari, probeerde hij het absolute record van Tony Bettenhausen (177,038 mph, gezet in Monza) te verbreken. In bocht drie ging het mis: de auto raakte de overgang naar de banking, sloeg herhaaldelijk over de kop. Hij overleed vrijwel direct, slechts elf dagen voor zijn 38e verjaardag en elf dagen vóór de eerste Daytona 500. Hij werd de eerste coureur die het leven liet op NASCAR's nieuwe paradepaardje. Deze tragedie greep Bill France Sr. zo hard aan, dat hij besloot om open-wheel (IndyCar-achtige) wagens voorgoed te verbieden op de oval van Daytona.
Marshall Teague liet een onuitwisbare indruk achter. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met de gouden jaren van Hudson in de racerij. Samen met zijn #6 Fabulous Hudson Hornet vormde hij zelfs de inspiratie voor het personage Doc Hudson in de Pixar-film Cars — een moderne ode aan een coureur en een merk die samen geschiedenis schreven.





























Herb Thomas: De stille kampioen
NASCAR-statistieken: 229 starts, 48 overwinningen, 20.96% gewonnen. 2x Kampioen (1951, 1953)
Herbert Watson Thomas (6 april 1923 – 9 augustus 2000) was een van de meest succesvolle stockcarrijders van de jaren 1950 en de eerste meermaals kampioen in de geschiedenis van NASCAR. Hij was de absolute koning van het Hudson-tijdperk. Van de 80 totale NASCAR-overwinningen die Hudson als merk behaalde, nam Thomas er maar liefst 39 voor zijn rekening — vrijwel de helft. Hij veroverde als eerste eigenaar/coureur de titel van 1951, vóór Fonty Flock. Thomas werd in 1953 bovendien de eerste coureur die het NASCAR-kampioenschap twee keer wist te winnen, opnieuw achter het stuur van een Hudson. Hij stond bekend om zijn foutloze rijden, uitzonderlijke mechanische gevoel en het vermogen races te ‘lezen’.
Van boer tot racelegende
Geboren in het kleine stadje Olivia, North Carolina, werkte Thomas in de jaren 1940 als boer en in een zagerij. Zijn interesse voor auto’s en snelheid leidde hem naar de opkomende stockcarracerij. In 1949 nam hij deel aan de allereerste Strictly Stock-race — de voorganger van de Grand National en de moderne NASCAR Cup Series — en maakte dat jaar vier starts. Het volgende seizoen reed hij al dertien races en behaalde zijn eerste overwinning op de Martinsville Speedway, achter het stuur van een privé-Plymouth.
In 1951 schakelde Thomas, op aanraden van zijn collega-coureur Marshall Teague, over naar een Hudson Hornet. Dit markeerde het begin van een historische samenwerking: Thomas won de Southern 500 met gemak en behaalde binnen twee maanden maar liefst zes overwinningen. Zijn late inhaalrace hielp hem het Grand National-kampioenschap te winnen, waarbij hij de eerste eigenaar/coureur werd die het kampioenschap in de wacht sleepte, geholpen door zijn crew chief Smokey Yunick.
In 1952 voerde Thomas een spannend kampioenschap uit tegen Tim Flock, de jongere broer van Fonty Flock. Beide rijders wonnen acht races met hun Hudsons, maar Flock bleek uiteindelijk iets consistenter en ging er met de titel vandoor.
Vandaag de dag staat zijn historische winpercentage van 20.96% nog altijd als het hoogste aller tijden voor coureurs met meer dan 100 starts. Een van zijn originele kampioenschaps-Hudsons staat nog altijd op de Glory Road in de NASCAR Hall of Fame.
Sneller dan Jeff Gordon
Voor statistiekliefhebbers is Thomas een fenomeen: hij is de coureur die in de geschiedenis van de sport het snelst de mijlpaal van 40 NASCAR-overwinningen wist te bereiken. Hij had daar slechts 151 starts voor nodig. Ter vergelijking: een moderne legende als Jeff Gordon had er 186 starts voor nodig, en geen enkele andere coureur in de geschiedenis klaarde deze klus in minder dan 254 starts.
De 'Split Championship' en de pech van 1955
Thomas keerde in 1953 sterker terug dan ooit en domineerde het hele seizoen, met twaalf overwinningen, waardoor hij de eerste tweevoudige kampioen van NASCAR werd. In 1954 herhaalde hij dit succes met opnieuw twaalf overwinningen, inclusief zijn tweede Southern 500-zege, waarmee hij de eerste coureur werd die twee keer op Darlington won. In de eindstand werd hij echter verslagen door een meer consistente Lee Petty.
Maar omdat Thomas tevens de officiële eigenaar was van de Hudsons waarin hij reed, won hij dat jaar met zijn team wel het constructeurs- en teameigenaarskampioenschap. Het is een van de zeldzame keren in de NASCAR-historie dat de rijderstitel en de teamtitel naar twee verschillende kampen gingen.
Na vier succesvolle jaren in een Hudson stapte Thomas over op Chevrolet en Buick in 1955. In 1955 leek Thomas hard op weg naar zijn derde rijderstitel, totdat een zware crash in Charlotte (achter het stuur van een Buick) roet in het eten gooide. Hij moest drie maanden revalideren en miste 19 races. Desondanks had hij in het vroege verloop van het seizoen zóveel punten verzameld met zijn vertrouwde Hudson, dat hij in de eindstand van het kampioenschap alsnog beslag legde op de vijfde plaats. Hij won aan het einde van dat seizoen zijn derde Southern 500 in een Motoramic Chevy, wat hem nog deze vijfde plek in het kampioenschap opleverde.
In 1956 reed Thomas kortstondig voor andere teams, waaronder drie overwinningen met Chryslers voor Carl Kiekhaefer, waarmee hij deel uitmaakte van het eerste volledig professionele NASCAR-team.
Het einde van de racecarrière van Herb Thomas
De carrière van Herb Thomas kwam in 1956 abrupt tot een einde door een zwaar ongeval op de dirt track van Shelby, North Carolina. Tijdens een race in een Chevrolet verloor Thomas de controle over zijn auto en crashte zwaar. Hij liep ernstige verwondingen op, waaronder meerdere botbreuken en een hoofdblessure. Hoewel hij aanvankelijk probeerde terug te keren naar de autosport, bleek het ongeluk een blijvende invloed te hebben op zijn fysieke gesteldheid. De coureur die ooit bekendstond om zijn onverzettelijkheid en zijn beheersing van de Hudson Hornet, kon niet meer terugkeren naar het niveau waarmee hij in het begin van de jaren vijftig de NASCAR domineerde.
Na zijn afscheid van de racerij richtte Thomas zich op het bedrijfsleven. Hij bleef actief in North Carolina en bouwde onder meer een succesvol transportbedrijf op. Ook was hij betrokken bij de houtindustrie met een eigen houtzagerij. Hoewel hij de competitie achter zich had gelaten, bleef hij een gerespecteerde naam binnen de NASCAR-gemeenschap. Zijn prestaties met de Fabulous Hudson Hornet — waaronder de kampioenschappen van 1951 en 1953 — maakten hem tot een van de grootste coureurs uit de beginjaren van de sport. Zijn jongere broer Donald Thomas won ook races in de Grand National-serie en hield tot 2005 het record als jongste winnaar van de serie vast.
Herb Thomas overleed op 9 augustus 2000 op 77-jarige leeftijd in Sanford, North Carolina, aan de gevolgen van een hartaanval. Zijn nalatenschap bleef echter voortleven. In 2013 werd hij postuum opgenomen in de NASCAR Hall of Fame, als erkenning voor zijn uitzonderlijke prestaties. Thomas wordt nog altijd gezien als een van de grondleggers van de NASCAR-racerij en als de man die de Hudson Hornet zijn legendarische status op het circuit bezorgde. Hij en zijn Fabulous Hudson Hornet zijn vereeuwigd op een historisch muurschildering in Sanford, North Carolina.
.jpg)


















Tim Flock: Talent en excentriciteit
NASCAR-statistieken: 2x Kampioen (1952, 1955), 20.85% gewonnen. 10 overwinningen voor Hudson
Julius Timothy Flock (11 mei 1924 – 31 maart 1998) was een invloedrijke Amerikaanse stockcarrijder en tweevoudig NASCAR Grand National-kampioen. Hij kwam uit een gezin van racers: zijn broers Bob en Fonty Flock en zijn zus Ethel Mobley, de tweede vrouwelijke coureur in NASCAR, waren ook actief in de sport. Tim was de jongste van 10 kinderen uit een gezin van waaghalzen. Familieleden waren actief in de racerij, deden aan koorddansen, traden op als wing walker tijdens vliegshows, raceten met speedboten en vervoerden tijdens de drooglegging illegale drank door de afgelegen gebieden van Georgia.
Vroege carrière
De familie Flock bracht vier coureurs voort: Tim, zijn broers Bob en Fonty, en hun zus Ethel. Daarmee schreef de familie NASCAR-geschiedenis op een manier die waarschijnlijk nooit meer zal worden geëvenaard: drie broers en één zus die samen aan dezelfde race deelnamen.
Dat gebeurde op 10 juli 1948 tijdens een NASCAR Strictly Stock-wedstrijd op Daytona Beach. Tim Flock eindigde als tweede achter Red Byron. Ethel werd elfde, Fonty negentiende en Bob tweeëntwintigste.
Tim, die wordt beschouwd als een van de meest beheerste en soepele coureurs uit de geschiedenis van NASCAR, was veruit de succesvolste van de familie. Hij behaalde uiteindelijk meerdere kampioenschappen en 39 overwinningen in de hoogste NASCAR-klasse. Ook zijn broers waren succesvol: Fonty won negentien races en Bob vier.
Ethel behaalde geen overwinning, maar bewees dat zij zich uitstekend kon meten met haar mannelijke collega's. Tijdens de race op het strand- en wegparcours van Daytona in 1949, het eerste officiële seizoen van NASCAR, finishte zij als elfde. Daarmee bleef zij zowel Fonty (19e) als Bob (22e) voor. Tim eindigde opnieuw als tweede, achter winnaar Red Byron.
Ethel Flock-Mobley groeide uit tot een van de eerste vrouwelijke pioniers van de autosport en blijft een bijzondere naam in de vroege geschiedenis van NASCAR.
Bob Flock stond niet alleen bekend om zijn prestaties op het circuit. Hij zou ook betrokken zijn geweest bij het vervoeren van illegaal gestookte whisky (moonshine), een praktijk die nauw verweven was met de ontstaansgeschiedenis van NASCAR. Volgens een beroemd verhaal werd hij ooit door de politie van Atlanta herkend toen hij zich meldde voor een race op Lakewood Speedway. Toen agenten hem wilden aanhouden, sprong Bob in zijn raceauto, reed met hoge snelheid een ronde over het circuit, brak dwars door een hek en wist te ontsnappen.
Het is slechts één van de vele opmerkelijke, maar waargebeurde verhalen die de legendarische familie Flock omringen.
Flock nam deel aan NASCAR’s allereerste Strictly Stock-race in 1949 op Charlotte, North Carolina, waar hij vijfde werd in een geleende Oldsmobile 88 van zijn pasgetrouwde buren. Het eerste seizoen eindigde hij op de achtste plaats in het kampioenschap, terwijl zijn broers Fonty en Bob respectievelijk vijfde en derde werden.
In 1950 behaalde Flock zijn eerste officiële overwinning op Charlotte en reed hij twaalf van de negentien races dat jaar. In 1951 won hij zeven races, waarmee hij zich vestigde als een van de snelste en meest constante coureurs van zijn tijd. In 1952 stapte Flock over op een Hudson Hornet, de beroemde “Fabulous Hudson Hornet”, en won acht races en vier poles. Aan het einde van het seizoen had hij 106 punten meer dan Herb Thomas, waardoor hij zijn eerste NASCAR Grand National Championship behaalde. Tijdens de laatste race in West Palm Beach sloeg Flock zelfs over de kop, wat hem de bijnaam opleverde: “de enige coureur die een kampioenschap op zijn kop won”.
Tim Flock was wellicht de meest getalenteerde, snelle maar ook agressieve en publiciteitsbewuste rijder van het team. Voordat hij een gevierd kampioen werd, had hij een ongebruikelijke leerschool achter de rug: hij werkte in zijn geboorteplaats Atlanta als taxichauffeur, brandweerman en piccolo. Het scherpe manoeuvreren in het hectische stadsverkeer legde de basis voor zijn bliksemsnelle reflexen op het circuit. Historici beschouwen hem tevens als de beste Beach Course-rijder aller tijden.
De Flocks verschilden allemaal van karakter en ook hun rijstijl was heel verschillend," aldus oud-promotor Humpy Wheeler. "Tim was waarschijnlijk de meest beheerste en soepelste van het stel. Hij was een van de grootste coureurs ooit.
Het fenomeen Jocko Flocko: Van media-explosie tot chaos in de cockpit
Flock was zich bewust van het feit dat NASCAR niet alleen sport was, maar ook entertainment, en dat bracht hem op een uniek idee. Het jaar daarop op 16 mei 1953 schreef hij wereldgeschiedenis door met een levende resusaap genaamd Jocko Flocko op de passagiersstoel de race op Hickory te winnen. Wat begon als een publiciteitsstunt groeide razendsnel uit tot een nationaal fenomeen.
Het dier hielp Tim bij het winnen van de Grand National-race op Hickory, North Carolina – waarmee hij de enige winnende aap ooit werd. Helaas werd Jocko twee weken later, tijdens de race in Raleigh, North Carolina, gedwongen met zijn “taken” te stoppen.
De aanwezigheid van Jocko Flocko zorgde voor een ware media-explosie. Kranten en tijdschriften sprongen massaal boven op het verhaal. Er verschenen overal foto's van de rhesusaap in de Hudson, vergezeld door spectaculaire verhalen over zijn opvallende gedrag tijdens de races. In interviews lichtte Tim Flock de situatie telkens half serieus en half ironisch toe. Voor autofabrikant Hudson betekende dit een ongekende stroom aan gratis publiciteit. De unieke combinatie van opeenvolgende race-overwinningen, een iconische auto en een aap als onofficieel teamlid maakte Hudson plotseling cultureel relevant, tot ver buiten de traditionele autowereld.
De keerzijde van dit succes was echter de totale chaos die Jocko in de cockpit veroorzaakte. De aap bleek al snel een stuk minder meegaand dan gehoopt. Tijdens de races trok hij geregeld aan het stuur, gooide hij met rondslingerende objecten en begon hij bij hoge snelheden soms oncontroleerbaar te schreeuwen en te bewegen. Dit gedrag bleef niet zonder gevolgen; er zijn meerdere gevallen bekend waarin Flock kostbare races verloor of zelfs werd gediskwalificeerd door de capriolen van zijn harige bijrijder. Een van de bekendste incidenten vond plaats tijdens een evenement op de Charlotte Speedway in 1953, waar Jocko Flocko zó onrustig en onhandelbaar werd dat de officials zich genoodzaakt voelden om persoonlijk in te grijpen.
Toen hij twee weken later in Raleigh losbrak, in paniek raakte bij het inspectieluik in de vloer en Flock dwong tot een kostbare pitstop die hem de overwinning kostte. De NASCAR-leiding, die probeerde de sport serieuzer en veiliger te maken, trok uiteindelijk een grens. Levende mascottes in de cockpit werden verboden.
Tim Flock herinnert zich het incident:
“Eigenlijk heb ik in 1953 acht races gereden met een aap, die ik Jocko Flocko noemde. Het begon als een publiciteitsstunt, en we gaven hem zijn eigen raceoverall en een speciaal ontworpen zitje.”
“Destijds hadden de auto’s een luik in de vloer dat we met een ketting konden opentrekken om de bandenslijtage te controleren. Nou, tijdens de Raleigh 300 wist Jocko los te komen uit zijn stoel en stak hij zijn hoofd door dat luik, waarna hij compleet door het lint ging! Luister, het was toen al moeilijk genoeg om die zware oude auto’s te besturen onder normale omstandigheden, maar met een doorgedraaide aap die je tegelijkertijd aanvalt, wordt het bijna onmogelijk! Ik moest de pits in om hem eruit te halen en eindigde uiteindelijk als derde. Die pitstop kostte me de tweede plaats en een verschil van 600 dollar op mijn loonstrook. Jocko werd per direct met pensioen gestuurd. Ik moest die aap letterlijk van mijn nek krijgen!”
Het legendarische recordjaar 1955
Na zijn laatste grote successen met Hudson reed Flock nog korte tijd door met de Hornet, maar Hudson verloor vanaf 1955 zijn dominante positie in NASCAR. Grotere fabrikanten zoals Ford en Chrysler kregen steeds meer invloed en de periode van de Fabulous Hudson Hornet liep ten einde. Hoewel Flock in 1955 de overstap maakte naar de Chrysler 300 van de excentrieke miljonair Carl Kiekhaefer, blijft dit seizoen een van de meest indrukwekkende uit de autosporthistorie. Hij behaalde een winpercentage van maar liefst 40% (18 zeges uit 45 starts) en zette 19 poles op zijn naam een record dat pas in 1967 werd verbroken door Richard Petty. Zijn 19 poles blijven tot op heden het hoogste aantal in één seizoen. In 11 van die races reed hij bovendien van start tot finish aan de leiding, zonder één enkele keer te worden ingehaald.
In 1956 won Flock de International Stock Car Road Race, de eerste NASCAR Cup-race ooit op Road America. Ondanks zijn successen kampte hij dat jaar met frustraties buiten de baan, vooral met team eigenaar Carl Kiekhaefer, en verliet diens team kort na de overwinning op North Wilkesboro wegens
maagproblemen. Met Kiekhaefer had hij in totaal 21 overwinningen uit 46 starts behaald.
Conflict met NASCAR en vakbondsondersteuning
In zijn laatste races voor een tijdelijke pensionering werd Flock gediskwalificeerd vanwege “te veel soldeer op zijn carburateurschroeven”, wat algemeen werd gezien als represailles van NASCAR vanwege zijn steun aan een coureursvakbond. Net als Curtis Turner werd hij tijdelijk levenslang geschorst, maar hij bleef racen bij andere organisaties en keerde in 1966 terug bij NASCAR.
Later werkte Flock voor de Ford Motor Company, waar hij klanten amuseerde tijdens track events, en vanaf 1959 voor Charlotte Motor Speedway in verschillende rollen, waaronder public relations en kaartverkoop. Zijn laatste race was in 1991 tijdens de Battle of the NASCAR Legends in Charlotte, waarin hij als tiende eindigde.
Flock bleef echter een gerespecteerde figuur binnen de autosport. Hij overleed op 31 maart 1998 op 73-jarige leeftijd aan lever- en keelkanker, tijdens NASCARS’s 50ste jubileumseizoen. Datzelfde jaar werd hij opgenomen in de lijst van NASCAR's 50 Greatest Drivers. Later volgde nog:
-
International Motorsports Hall of Fame (1991)
-
Motorsports Hall of Fame of America (1999)
-
National Motorsports Press Association Hall of Fame (1972)
-
Alabama Sports Hall of Fame (2006)
-
NASCAR Hall of Fame (2014)































Fonty Flock: een andere grootheid van de Hudson-jaren
Naast Herb Thomas en zijn broer Tim Flock speelde ook Fonty Flock een belangrijke rol in de glorietijd van de Hudson Hornet. Hoewel hij tegenwoordig minder bekend is bij het grote publiek, behoorde Fonty in de vroege NASCAR-jaren tot de absolute top. Hij was al kampioen in de NASCAR Modified-serie van 1949 en eindigde in 1951 als tweede in het Grand National-kampioenschap achter Herb Thomas.Met Hudson behaalde Fonty één van zijn grootste overwinningen: de Southern 500 van 1952 op Darlington Raceway, een van de zwaarste en meest prestigieuze races van het seizoen. Daarmee bewees hij dat de Hudson Hornet niet alleen door Thomas en Tim Flock naar overwinningen kon worden gereden, maar door een hele generatie topcoureurs.Hoewel zijn broer Tim uiteindelijk de grotere reputatie opbouwde met twee NASCAR-kampioenschappen, bleef Fonty Flock een van de succesvolste coureurs uit de pioniersjaren van NASCAR. Zijn 19 overwinningen en zijn rol in de opkomst van Hudson maken hem een belangrijk onderdeel van het verhaal achter de Fabulous Hudson Hornet.
Buck Baker – de kampioen die Hudson voorbijreed
Buck Baker hoort bij de grote namen uit de vroege NASCAR-jaren. Hij reed in de beginperiode ook met Hudsons en behaalde meerdere overwinningen met het merk. Zijn grootste successen kwamen later met andere merken: hij werd NASCAR-kampioen in 1956 en 1957.Voor Hudson is hij vooral interessant omdat hij laat zien dat de Hornet niet alleen afhankelijk was van één stercoureur. Verschillende topcoureurs konden met de auto winnen.
Dick Rathmann – specialist op het strand van Daytona
Dick Rathmann was een belangrijke naam in de vroege jaren van NASCAR en een van de coureurs die de snelheid van de Hudson Hornet op de Daytona Beach & Road Course bewees.Hij won de 1954 Daytona Beach race met een Hudson Hornet. Daarmee zette hij de traditie voort die Marshall Teague in 1951 was begonnen. Zijn overwinning was bijzonder omdat Daytona toen nog geen moderne superspeedway was, maar een combinatie van strand en openbare weg waar topsnelheid en betrouwbaarheid cruciaal waren.
Al Keller – Hudson op het circuit én internationaal
Al Keller was een veelzijdige coureur die ook met Hudson reed.
Hij won in 1955 de eerste NASCAR-race ooit op het Linden Airport-circuit in New Jersey met een Hudson Hornet.Keller is ook bekend omdat hij later betrokken raakte bij internationale autosport en zelfs als eerste NASCAR-coureur een race in Europa won (een Formule 1-race buiten het officiële WK).
Lee Petty – de man die de overgang naar Chrysler maakte
Lee Petty reed in de vroege jaren vijftig ook met Hudson. Hij was nog niet de legende die hij later zou worden, maar hij behoorde wel tot de sterke rijders van die periode.Later werd Petty de grondlegger van een NASCAR-dynastie: vader van Richard Petty en grootvader van Kyle Petty. Zijn latere successen kwamen vooral met Chrysler-producten, maar zijn vroege jaren horen bij de tijd waarin Hudson de toon zette.
Frank Mundy – een belangrijke Hudson-coureur uit de beginperiode
Frank Mundy is minder bekend bij het grote publiek, maar was een van de vaste Hudson-rijders in de vroege jaren vijftig. Hij won meerdere races met Hudson en hielp mee aan de reputatie van de Hornet als een snelle en betrouwbare racer.
Jack McGrath – de link met de Indianapolis-wereld
Jack McGrath reed ook Hudsons in stockcarwedstrijden. Hij kwam uit de wereld van de open-wheel-racerij en laat zien hoe gemengd de Amerikaanse autosport in die tijd was: coureurs reden vaak zowel op dirt tracks, ovals als in andere disciplines.
De Ongekende Statistieken (1951–1955)
De dominantie van Hudson in deze periode is in de moderne racerij nergens meer mee te vergelijken. De NASCAR Hall of Fame heeft de cijfers zwart-op-wit:
•Het topjaar 1952: Het absolute hoogtepunt. Samen wonnen Teague, Thomas en Flock 27 van de 34 NASCAR-races — een verbijsterend winpercentage van 79,4%. Telt men de 14 AAA-zeges van Teague mee, dan won de Hornet dat jaar 40 van de 48 evenementen waaraan hij deelnam (83%).
•Het succes van 1953: De Hornets bleven ongenaakbaar en pakten 22 overwinningen.
•De onverslaanbare reeksen: In 1952 opende Hudson het seizoen door de eerste 6 races op rij te winnen, en uiteindelijk 11 van de eerste 12. Later dat jaar volgde nog een reeks van 7 opeenvolgende zeges.
•De constructeurstitels: Hudson won het constructeurskampioenschap in 1952, 1953 and 1954. Hiermee staat het merk nog altijd gedeeld derde op de ranglijst aller tijden, op gelijke hoogte met Toyota en Oldsmobile, en enkel overtroffen door Chevrolet en Ford.
•De laatste overwinning: Aan de indrukwekkende reeks kwam begin 1955 een einde toen Herb Thomas in West Palm Beach de 80e en allerlaatste overwinning voor het merk Hudson binnensleepte.
De Ondergang in de Showroom en het pijnlijke einde
Terwijl de Hornets de circuits domineerden, leed het bedrijf achter de schermen zware financiële verliezen. Het publiek vroeg in de vroege jaren 50 massaal om moderne V8-motoren en flitsende carrosserieën. De productijaren van de Hornet laten de pijnlijke neergang in de showroom duidelijk zien:
Productiejaar Aantal geproduceerde Hornets
1951 43.656 units
1952 35.921 units
1953 27.208 units
1954 24.833 units
Hudson fuseerde in 1954 met Nash en vormde daarmee American Motors (AMC). Daarmee maakt het merk tegenwoordig deel uit van de DaimlerChrysler-erfenis en kreeg Dodge later het recht om de naam Hornet opnieuw te gebruiken voor zijn compacte model.
Door de fusie werd de fabriek in Detroit gesloten. De Hudson-modellen uit 1955 tot en met 1957 waren in werkelijkheid grotendeels opnieuw aangeklede Nashes, gebouwd in Kenosha, Wisconsin. Verzamelaars noemen deze auto’s vaak een “Hash” (een samenvoeging van Hudson en Nash), omdat ze technisch en qua karakter niet dezelfde auto’s waren als de oorspronkelijke Hudsons.
Zelfs in 1959 waren oude Hornet-racewagens nog gewild. Eén daarvan speelde een bijzondere rol in het leven van twee jonge immigranten in Pennsylvania: de tweeling Mario en Aldo Andretti. Zij reden met hun oude Hudson op onverharde circuits rond hun woonplaats Nazareth en legden daarmee de basis voor een indrukwekkende racecarrière. Mario Andretti zou later uitgroeien tot een van de grootste namen in de autosport en reed onder andere voor het CART-team van Newman-Haas.
Als er één ding uit dit verhaal blijkt, is het dat een Hudson veel meer was dan zomaar een oude auto. Misschien ontdekken nieuwe generaties hierdoor waarom deze bijzondere Amerikaanse auto's het verdienen om bewaard te blijven.
Een Fabuleus Hollywood-Einde
Hoewel de fabriek verdween, werd de legende van de auto onsterfelijk. In 2006 bracht de Pixar-animatiefilm Cars het verhaal van de Fabulous Hudson Hornet naar een wereldwijd miljoenenpubliek. Het legendarische personage Doc Hudson (in de originele versie ingesproken door Hollywood-icoon en raceliefhebber Paul Newman) won in de film drie opeenvolgende Piston Cups in de jaren 50 — een directe knipoog naar de drie opeenvolgende constructeurstitels van Hudson.
De culturele impact van de film was gigantisch: de historische herwaardering zorgde ervoor dat de prijzen van originele Hudson Hornets op platforms zoals eBay sindsdien exponentieel zijn gestegen. Het is het ultieme eerbetoon aan een auto die destijds zijn tijd ver vooruit was, en die bewees dat pure engineering en visie het konden winnen van de gevestigde orde.





























